ECLI:NL:RBDHA:2018:15713

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 december 2018
Publicatiedatum
13 januari 2019
Zaaknummer
NL18.22083
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Richtlijn 2013/32/EUVerordening (EU) Nr. 604/2013Art. 16 Dublinverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen weigering asielaanvraag op grond van Dublinverordening

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen, omdat Denemarken verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn verzoek op grond van de Dublinverordening. Eiser voerde aan dat Denemarken niet langer aan het interstatelijk vertrouwensbeginsel voldoet, omdat hij daar al meer dan twee jaar wacht op een nieuwe beslissing na een gegrond verklaard beroep.

De rechtbank oordeelt dat eiser zijn stellingen onvoldoende heeft onderbouwd met bewijs en dat Denemarken zich heeft verbonden om het asielverzoek conform de Europese richtlijnen te behandelen. Eiser had klachten over de Deense procedure bij de Deense autoriteiten moeten indienen. Ook is niet aannemelijk gemaakt dat de Deense rechtsbijstand niet voldoet aan de minimumeisen.

Daarnaast heeft de staatssecretaris het beroep van eiser op familierelaties in Nederland beoordeeld aan de hand van artikel 16 van Pro de Dublinverordening en geoordeeld dat niet aan de voorwaarden wordt voldaan. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst een proceskostenveroordeling af.

Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de weigering van zijn asielaanvraag op grond van de Dublinverordening is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL18.22083
v-nummer: [nummer]
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser

(gemachtigde: mr. J.M. Walls),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. S. Aboulouafa).

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 20 november 2018 (het bestreden besluit) en een verzoek ingediend voor een voorlopige voorziening.
Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL18.22084, plaatsgevonden op 19 december 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen R. Issa. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk ter zitting uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. Niet in geschil is dat eiser in Denemarken eerder een verzoek om internationale bescherming heeft gedaan en dat de Deense autoriteiten hebben ingestemd met de terugname van eisers op deze grond. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser daarom terecht niet in behandeling genomen omdat Denemarken verantwoordelijk is.
2. Eiser stelt zich op het standpunt dat ten aanzien van Denemarken niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Eiser heeft daartoe aangevoerd dat hij in Denemarken al meer dan twee jaar wacht op een nieuwe beslissing op zijn asielaanvraag, nadat zijn beroep tegen een eerdere beslissing door de rechter gegrond was verklaard. Denemarken handelt om die reden niet volgens overweging 18 bij de Procedurerichtlijn. [1] Eiser stelt verder dat hij niet de mogelijkheid had om op te komen tegen het niet-beslissen door de Deense autoriteiten.
3. Eisers betoog kan echter niet afdoen aan de verantwoordelijkheid van Denemarken en leidt evenmin tot het oordeel dat verweerder in redelijkheid de verantwoordelijkheid voor eisers asielaanvraag had moeten aantrekken. Eiser heeft immers nagelaten om zijn stellingen te onderbouwen met stukken. Daarnaast heeft Denemarken met de claimaanvaarding toegezegd dat eisers asielverzoek behandeld wordt met inachtneming van de communautaire asielrichtlijnen. Voor zover eiser meende dat de Deense autoriteiten zich niet houden aan de daaruit voortvloeiende verplichtingen, diende hij – zoals verweerder terecht heeft overwogen – daarover bij hen te klagen. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat dat voor hem niet mogelijk was. Zoals verweerder verder terecht heeft overwogen bevat de Procedurerichtlijn een minimumregeling over de te bieden gratis rechtsbijstand in de asielprocedure. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de Deense regeling hier niet aan voldoet. Verweerder gaat dan ook terecht uit van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.
4. Voor zover eiser een beroep heeft gedaan op de relatie met zijn familie in Nederland, in het bijzonder zijn broer, heeft verweerder dit beoordeeld in het licht van het bepaalde over afhankelijke personen in artikel 16, eerste lid, van de Dublinverordening [2] . Verweerder heeft onweersproken geoordeeld dat in eisers geval niet wordt voldaan aan de daarin genoemde voorwaarden.
5. Het beroep is ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van W.H. Mentink, griffier, op 19 december 2018.
Dit proces-verbaal is digitaal ondertekend en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

Voetnoten

1.Richtlijn 2013/32/EU
2.Verordening (EU) Nr. 604/2013