ECLI:NL:RBDHA:2018:15713
Rechtbank Den Haag
- Mondelinge uitspraak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen weigering asielaanvraag op grond van Dublinverordening
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen, omdat Denemarken verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn verzoek op grond van de Dublinverordening. Eiser voerde aan dat Denemarken niet langer aan het interstatelijk vertrouwensbeginsel voldoet, omdat hij daar al meer dan twee jaar wacht op een nieuwe beslissing na een gegrond verklaard beroep.
De rechtbank oordeelt dat eiser zijn stellingen onvoldoende heeft onderbouwd met bewijs en dat Denemarken zich heeft verbonden om het asielverzoek conform de Europese richtlijnen te behandelen. Eiser had klachten over de Deense procedure bij de Deense autoriteiten moeten indienen. Ook is niet aannemelijk gemaakt dat de Deense rechtsbijstand niet voldoet aan de minimumeisen.
Daarnaast heeft de staatssecretaris het beroep van eiser op familierelaties in Nederland beoordeeld aan de hand van artikel 16 van Pro de Dublinverordening en geoordeeld dat niet aan de voorwaarden wordt voldaan. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst een proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de weigering van zijn asielaanvraag op grond van de Dublinverordening is ongegrond verklaard.