ECLI:NL:RBDHA:2018:15770
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Verblijfsvergunning zelfstandige danseres ingetrokken wegens onvoldoende middelen van bestaan, beroep gegrond verklaard
Eiseres, een Zuid-Koreaanse danseres, had sinds 2007 een verblijfsvergunning voor arbeid als zelfstandige, die meerdere malen werd verlengd. In 2017 werd haar aanvraag tot verlenging afgewezen en haar vergunning met terugwerkende kracht ingetrokken omdat zij niet meer voldeed aan het middelenvereiste. De staatssecretaris stelde dat alleen inkomsten uit haar onderneming meetellen, niet haar loondienstinkomsten of giften van ouders.
Eiseres voerde aan dat haar brutowinst uit de onderneming wel boven de norm lag en dat de ouderlijke giften bedoeld zijn als investering in haar bedrijf via een studie bewegingsleer. De rechtbank oordeelde dat de loondienstinkomsten en giften niet meetellen als inkomsten uit onderneming en bevestigde dat eiseres niet voldeed aan het middelenvereiste. Wel stelde de rechtbank vast dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom niet is afgeweken van het beleid op grond van artikel 4:84 Awb Pro en dat eiseres niet is gehoord over haar bezwaar.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit wegens strijd met de Awb, met name artikel 4:84, 7:2, 7:3 en 7:12, en bepaalde dat de staatssecretaris binnen zes weken een nieuw besluit moet nemen. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen omdat de uitspraak op het beroep was gedaan. Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen.