ECLI:NL:RBDHA:2018:16045
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Geen voorziening voor claim ex-bestuurder bij voormalig dochtermaatschappij toegestaan
X BV was tot 8 maart 2013 enig aandeelhouder van [B.V.] B.V. en vormde met deze dochtermaatschappij een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting. De ex-bestuurder van [B.V.] B.V. werd ontslagen en startte een procedure wegens onregelmatig ontslag met een looneis en een schadevergoeding.
Na verkoop van de aandelen in [B.V.] B.V. in januari 2013 ontstond discussie over het vormen van een voorziening door X BV voor de claim van de ex-bestuurder. X BV wilde een voorziening van € 200.000 ten laste van haar fiscale winst brengen, maar de Belastingdienst wees dit af.
De rechtbank oordeelde dat de claim en de betaling daarvan rusten op [B.V.] B.V. en niet op X BV. Omdat [B.V.] B.V. op 8 maart 2013 uit de fiscale eenheid trad en geen voorziening had gevormd, kon X BV geen last van een voorziening nemen. Ook de foutenleer bood geen grond voor correctie op de beginbalans. De vrijwaringsbepaling in de koopovereenkomst was onvoldoende onderbouwd om kosten ten laste van X BV te brengen.
Daarom verklaarde de rechtbank het beroep van X BV ongegrond en wees de voorziening af.
Uitkomst: De rechtbank wees het beroep van X BV af en oordeelde dat zij geen voorziening mag vormen voor de claim van de ex-bestuurder.