ECLI:NL:RBDHA:2018:1610
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs valse aangifte mishandeling politiebureau
Verdachte werd beschuldigd van het opzettelijk doen van een valse aangifte mishandeling door een politieagent in het politiebureau Heemstraat op 10 oktober 2011. De officier van justitie stelde dat het tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen kon worden, mede op basis van wisselende verklaringen van verdachte en reconstructies die de mishandeling in het trappenhuis zouden uitsluiten.
De verdediging voerde aan dat er onvoldoende bewijs was voor zowel de mishandeling als de valse aangifte, en dat de verklaringen van verdachte niet met zekerheid konden worden weerlegd. Diverse onderzoeken, waaronder door de Nationale Ombudsman, concludeerden dat mishandeling niet aannemelijk was, maar ook niet volledig kon worden uitgesloten.
De rechtbank oordeelde dat het dossier onvoldoende wettig bewijs bevat om vast te stellen dat verdachte opzettelijk in strijd met de waarheid aangifte heeft gedaan. De twijfel bleef bestaan over wat er precies in de 22 seconden buiten camerazicht is gebeurd. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van de tenlastelegging.
Daarnaast verklaarde de rechtbank de benadeelde partijen, waaronder de politieagent en de Nationale Politie Eenheid Den Haag, niet-ontvankelijk in hun vorderingen tot schadevergoeding vanwege de vrijspraak. De kosten van de verdediging werden tot op heden begroot op nihil en aan verdachte toegekend.
Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken wegens onvoldoende wettig bewijs voor het doen van een valse aangifte mishandeling.