ECLI:NL:RBDHA:2018:16203
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Asielaanvraag niet-ontvankelijk wegens bestaande Griekse verblijfsstatus en onvoldoende bewijs van onhoudbare situatie
Eiser, een Griekse statushouder met een verblijfsvergunning geldig van 6 juli 2017 tot 7 juli 2020, diende een asielaanvraag in die door verweerder niet-ontvankelijk werd verklaard op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiser stelde dat zijn gezondheidsproblemen en de ontoereikende zorg in Griekenland hem verhinderen terug te keren. Hij verwees naar klachten bij lokale organisaties en het UNHCR.
De rechtbank overwoog dat statushouders in Griekenland volgens de Griekse wet gelijk zijn aan staatsburgers, hoewel de situatie moeilijk is vanwege beperkte toegang tot werk en zorg. De Afdeling bestuursrechtspraak had eerder geoordeeld dat eiser zich tot hogere Griekse autoriteiten had moeten wenden om zijn rechten te effectueren, wat hij niet had gedaan.
De rechtbank concludeerde dat de situatie in Griekenland niet zodanig is dat sprake is van een schending van artikel 3 EVRM Pro en dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer in een onmenselijke situatie terechtkomt. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om aanvullende garanties aan Griekse autoriteiten werd afgewezen.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de asielaanvraag niet-ontvankelijk verklaard wegens bestaande Griekse verblijfsstatus en onvoldoende bewijs van onhoudbare situatie.