ECLI:NL:RVS:2018:1795
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- G. van der Wiel
- J.Th. Drop
- Rechtspraak.nl
Vaststelling redelijkheid terugkeer statushouder naar Griekenland en toetsing niet-ontvankelijkheid asielaanvraag
De staatssecretaris verklaarde de asielaanvraag van de vreemdeling niet-ontvankelijk omdat zij internationale bescherming geniet in Griekenland en daardoor een zodanige band met dat land heeft dat het redelijk is daarheen terug te keren. De rechtbank vernietigde dit besluit, maar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State stelde het hoger beroep van de staatssecretaris in het gelijk en vernietigde het vonnis van de rechtbank.
De Afdeling overwoog dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt en dat het enkele feit dat de vreemdeling in Griekenland internationale bescherming geniet, voldoende is om de niet-ontvankelijkheid te rechtvaardigen. De vreemdeling stelde dat terugkeer naar Griekenland haar in strijd met artikel 3 EVRM Pro zou brengen vanwege de slechte omstandigheden voor statushouders, maar de Afdeling oordeelde dat de situatie niet zo ernstig is dat sprake is van een schending van artikel 3 EVRM Pro.
De Afdeling benadrukte dat de vreemdeling onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij in Griekenland niet adequaat beschermd wordt, dat zij onvoldoende inspanningen heeft verricht om haar rechten te effectueren en dat de Griekse autoriteiten haar kunnen en willen helpen. Het beroep van de vreemdeling werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het besluit tot niet-ontvankelijkheid van de asielaanvraag wordt bevestigd.