ECLI:NL:RBDHA:2018:16269
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep niet-ontvankelijk wegens niet tijdig indienen beroepsgronden in vreemdelingenzaak
Eiser heeft tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, waarin zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel werd afgewezen, beroep ingesteld. Dit beroep werd door de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet tijdig indienen van de beroepsgronden. Eiser stelde dat hij de gronden op 31 augustus 2017 succesvol had geüpload, maar kon dit niet aannemelijk maken met een ontvangstbevestiging.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vernietigde deze uitspraak en wees de zaak terug naar de rechtbank met het verzoek nader onderzoek te doen naar de uploaddatum. De rechtbank liet een technisch onderzoek uitvoeren door Spir-it, dat geen bewijs vond dat de beroepsgronden op 31 augustus 2017 waren ingediend. Er was geen storing op die dag, alleen regulier onderhoud in de avond.
De rechtbank concludeerde dat eiser de beroepsgronden niet tijdig had ingediend en dat er geen verschoonbare omstandigheden of bijzondere individuele feiten waren die het niet-ontvankelijk verklaren konden weerleggen. Daarom werd het beroep opnieuw niet-ontvankelijk verklaard.
Ten aanzien van de proceskosten oordeelde de rechtbank dat verweerder deze moest vergoeden aan eiser, omdat het hoger beroep terecht was ingesteld en de eerdere fouten van de rechtbank voor rekening van het bestuursorgaan komen. De proceskosten werden vastgesteld op € 501,-.
De uitspraak werd gedaan door rechter I. de Greef op 19 september 2018 in Haarlem.
Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet tijdig indienen van de beroepsgronden.