ECLI:NL:RBDHA:2018:16511
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid bezwaar BPM wegens termijnoverschrijding en vergoeding immateriële schade
Eiseres, een beroepsmatige autohandelaar, maakte bezwaar tegen de BPM-aangiften en naheffingsaanslagen over 2010, maar diende dit bezwaar pas op 9 december 2014 in, ruim na de wettelijke termijn. Verweerder verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding en kende een immateriële schadevergoeding toe. Eiseres stelde beroep in, dat aanvankelijk kennelijk niet-ontvankelijk werd verklaard, maar na verzet werd het onderzoek voortgezet.
De rechtbank oordeelt dat de hoorplicht niet is geschonden, aangezien een hoorgesprek op 8 december 2017 heeft plaatsgevonden. Eiseres kan als professionele handelaar niet op grond van artikel 6:11 Awb Pro een beroep doen op het ontbreken van een rechtsmiddelenverwijzing om de termijnoverschrijding te rechtvaardigen. Het bezwaar is terecht niet-ontvankelijk verklaard en het beroep is ongegrond.
De rechtbank stelt vast dat de bezwaar- en beroepsfase gezamenlijk ruim zes jaar hebben geduurd, wat de redelijke termijn aanzienlijk overschrijdt. Gezien de reeds toegekende schadevergoeding van € 1.500 bij de uitspraak op bezwaar, wordt nu een aanvullende immateriële schadevergoeding van € 3.500 toegewezen. Tevens veroordeelt de rechtbank de Minister tot betaling van proceskosten en wettelijke rente bij niet-tijdige betaling.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard wegens termijnoverschrijding en eiseres krijgt een immateriële schadevergoeding van € 3.500 toegekend.