ECLI:NL:GHDHA:2022:2634
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaarschrift Bpm wegens termijnoverschrijding en vaststelling proceskostenvergoeding
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de betaling van belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) over 2010, maar dit bezwaar werd niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de wettelijke termijn. De Rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van gronden, maar stelde dit later bij verzet bij. Uiteindelijk werd het beroep ongegrond verklaard omdat het bezwaar te laat was ingediend.
Belanghebbende vorderde een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn en proceskostenvergoeding. De rechtbank kende een schadevergoeding toe van €3.500 en proceskosten van €534. In hoger beroep betwistte belanghebbende onder meer de niet-ontvankelijkheid, de hoogte van de proceskostenvergoeding en stelde unierechtelijke bezwaren.
Het Hof oordeelde dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk was verklaard en dat het beroep niet inhoudelijk hoefde te worden behandeld. De unierechtelijke argumenten faalden, onder meer omdat de termijn lang genoeg is en het Nederlandse systeem van griffierechten niet in strijd is met het Unierecht. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.