ECLI:NL:RBDHA:2018:1755
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Vernietiging intrekking verblijfsvergunning wegens onvoldoende individuele belangenafweging
Eiser, een burger van Bosnië-Herzegovina, kreeg op 22 april 2016 een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor verblijf bij zijn echtgenote. Verweerder trok deze vergunning op 10 april 2017 met terugwerkende kracht in en legde een inreisverbod van twee jaar op, omdat verweerder stelde dat ten tijde van de aanvraag niet aan het middelenvereiste was voldaan. Dit was gebaseerd op het niet melden door de echtgenote van eiser van het beëindigen van haar dienstverband bij Tomi-Con B.V. op 2 maart 2016.
Eiser voerde aan dat de terugval in inkomsten slechts van korte duur was, dat zij sinds juni 2016 weer aan het middelenvereiste voldeden en dat zij nooit een beroep hadden gedaan op de openbare kas. Tevens stelde eiser dat verweerder ten onrechte geen individuele belangenafweging had gemaakt en dat het besluit in strijd was met het evenredigheidsbeginsel en artikel 8 EVRM Pro.
De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht stelde dat de echtgenote haar meldingsplicht had geschonden, maar dat verweerder onvoldoende rekening had gehouden met de omstandigheden zoals de korte duur van de terugval, het ontbreken van een schijnrelatie en het feit dat eiser en zijn echtgenote inmiddels wel aan het middelenvereiste voldeden. Ook was geen evenredige belangenafweging gemaakt en waren eiser en zijn echtgenote ten onrechte niet gehoord in bezwaar.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit en droeg verweerder op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werd verweerder veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit tot intrekking van de verblijfsvergunning en het inreisverbod wordt vernietigd.