ECLI:NL:RBDHA:2020:14493
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag machtiging tot voorlopig verblijf wegens gefingeerd dienstverband en onvoldoende middelen
Eiseres, van Afghaanse nationaliteit, vroeg een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) aan als gezinslid bij referent. Verweerder wees de aanvraag af omdat de referent niet duurzaam en zelfstandig over voldoende middelen van bestaan zou beschikken. De twijfel ontstond door tegenstrijdigheden in het dienstverband bij [onderneming 1], waaronder afwijkingen in loonstroken, bankafschriften en urenregistraties, en een inspectierapport van de Inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht uitging van een gefingeerd dienstverband, waarbij het inkomen uit dat dienstverband niet mocht worden meegeteld. Eiseres kon haar stellingen over afwijkende werkafspraken niet met objectief bewijs onderbouwen en bracht deze pas in beroep naar voren, wat de geloofwaardigheid aantastte.
Daarnaast stelde de rechtbank dat het middelenvereiste drie componenten kent: zelfstandigheid, voldoende hoogte en duurzaamheid van het inkomen. Omdat het dienstverband niet echt was, kon verweerder aannemen dat referent geen inkomen had. De overige beroepsgronden, waaronder schending van het hoor en wederhoor-beginsel en schending van artikel 8 EVRM Pro, faalden eveneens.
De rechtbank concludeerde dat het bestreden besluit rechtmatig was en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de mvv-aanvraag wordt ongegrond verklaard vanwege een gefingeerd dienstverband en het niet voldoen aan het middelenvereiste.