Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 februari 2018 in de zaak tussen
Procesverloop
Overwegingen
De rechtbank oordeelt als volgt.
Rechtbank Den Haag
Eiseres, met de Eritrese nationaliteit, heeft beroep ingesteld tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van nareis, waarbij zij stelde gehuwd te zijn met referent, die een verblijfsvergunning asiel had gekregen. Verweerder heeft het bezwaar ongegrond verklaard omdat eiseres en referent hun feitelijke gezinsband niet aannemelijk hebben gemaakt met documenten en hun verklaringen tegenstrijdig waren.
De rechtbank oordeelt dat verweerder terecht niet heeft aangenomen dat er sprake is van een rechtsgeldig huwelijk of feitelijke gezinsband. De tegenstrijdige verklaringen over de periode van samenwonen en het ontbreken van onderbouwing met documenten leiden tot het oordeel dat de gezinsband niet aannemelijk is gemaakt. Ook het overmaken van geld en dagelijks contact zijn onvoldoende om de gezinsband te bewijzen.
Verder is geoordeeld dat verweerder voldoende rekening heeft gehouden met de persoonlijke omstandigheden van eiseres door haar en referent persoonlijk te horen. Het beroep op Europese regelgeving en het Handvest van de Grondrechten faalt omdat de gezinsband niet is aangetoond.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst een proceskostenveroordeling af. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf nareis wordt ongegrond verklaard.