ECLI:NL:RBDHA:2018:2005

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 februari 2018
Publicatiedatum
22 februari 2018
Zaaknummer
NL18.1577 en NL 18.1578
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
  • B.F.Th. de Roos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 29 Dublinverordening (EU) 604/2013
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep en voorlopige voorziening tegen weigering verblijfsvergunning wegens Dublinverordening

Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door verweerder is geweigerd omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van deze aanvraag op grond van de Dublinverordening. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld en tevens een voorlopige voorziening gevraagd om overdracht aan Duitsland te voorkomen.

Tijdens de zitting op 15 februari 2018 heeft de rechtbank vastgesteld dat Duitsland inderdaad verantwoordelijk is voor de asielaanvraag, omdat Duitsland nagelaten heeft eiser tijdig over te dragen aan Italië, waar eiser eerder asiel had aangevraagd. Dit leidt ertoe dat Duitsland de verantwoordelijkheid heeft aanvaard, ondanks dat eiser in Duitsland was uitgeprocedeerd.

De rechtbank verwierp de stellingen van eiser dat nader onderzoek naar zijn verblijfsstatus in Duitsland noodzakelijk is en dat Duitsland de aanvraag niet zorgvuldig heeft behandeld, omdat deze niet met onderbouwing of stukken waren gestaafd. Het interstatelijk vertrouwensbeginsel blijft van toepassing. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen. Er is geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummers: NL18.1577 en NL18.1578
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter van 14 februari 2018 in de zaak tussen

[naam] , eiser en verzoeker, hierna: eiser

(gemachtigde: mr. L.J. Blijdorp),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. P. van Zijl).

Procesverloop

Bij besluit van 22 januari 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Tevens heeft eiser een voorlopige voorziening gevraagd ter voorkoming van overdracht aan Duitsland hangende het beroep.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 februari 2018. Eiser is verschenen bij zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting is onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank,
in zaak nr. NL18.1577, verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter,
in zaak nr. NL18.1578, wijst het verzoek af.

Overwegingen

1. Anders dan eiser heeft aangevoerd, is er geen twijfel over mogelijk dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag. Eiser heeft weliswaar eerder – tot drie keer toe – asiel aangevraagd in Italië, en daarna pas in Duitsland, maar Duitsland heeft nagelaten eiser tijdig over te dragen aan Italië. Daarmee is Duitsland ingevolge artikel 29, eerste lid, van de Dublinverordening [1] verantwoordelijk geworden. Duitsland heeft deze verantwoordelijkheid ook aanvaard. De stelling dat eiser in Duitsland was uitgeprocedeerd, leidt niet tot een ander oordeel. Door de claimacceptatie heeft Duitsland zich bereid verklaard de asielaanvraag van eiser (al dan niet wederom) inhoudelijk te behandelen.
2. De vergelijking met de verwijzingsuitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 27 september 2017 [2] gaat niet op: anders dan in die zaak, is de verantwoordelijkheid van de eerste lidstaat waar de asielaanvraag is ingediend, komen te vervallen wegens het verstrijken van de overdrachtstermijn.
3. Het betoog van eiser dat verweerder nader onderzoek moet verrichten naar eisers verblijfsstatus in Duitsland, kan dus geen doel treffen.
4. De stelling van eiser dat Duitsland de asielaanvraag van eiser niet zorgvuldig heeft behandeld, is niet onderbouwd met argumenten, laat staan met stukken. Datzelfde geldt voor de stelling dat eiser in Duitsland niet goed is opgevangen. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat ten aanzien van Duitsland niet meer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Daarin is eiser niet geslaagd. Ook overigens is niet aannemelijk gemaakt dat verweerder de verantwoordelijkheid voor de behandeling van de asielaanvraag aan zich had moeten trekken.
5. Het beroep is ongegrond. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter en voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.A.B. Koens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 februari 2018.
griffier
rechter en voorzieningenrechter
Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van het proces-verbaal van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

Voetnoten

1.Verordening (EU) 604/2013