ECLI:NL:RVS:2017:2571
Raad van State
- Prejudicieel verzoek
- N. Verheij
- H.G. Sevenster
- G. Van der Wiel
- Rechtspraak.nl
Prejudiciële vraag over exclusieve bevoegdheid lidstaat eerste asielverzoek in Dublinverordening
De zaak betreft een vreemdeling van Syrische nationaliteit die op 21 januari 2016 in Nederland een verzoek om internationale bescherming indiende. De staatssecretaris stelde Duitsland verantwoordelijk voor de behandeling van het verzoek, omdat de vreemdeling eerder in Duitsland een asielverzoek had ingediend. De rechtbank vernietigde het besluit van de staatssecretaris en bepaalde dat een nieuw besluit moest worden genomen. Zowel de vreemdeling als de staatssecretaris gingen in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling onderzocht of de Dublinverordening zo moet worden uitgelegd dat slechts één lidstaat, namelijk de lidstaat waar het eerste verzoek om internationale bescherming is ingediend, verantwoordelijk is voor de behandeling en dat alleen in die lidstaat een beroep kan worden gedaan op de verantwoordelijkheidscriteria van hoofdstuk III van de verordening. De Afdeling concludeerde dat dit het geval is en dat de vreemdeling in Nederland geen beroep kan doen op deze criteria omdat haar eerste verzoek in Duitsland is ingediend.
De Afdeling stelde vast dat deze uitleg aansluit bij het doel van de Dublinverordening om snelle en efficiënte procedures te waarborgen en forumshopping te voorkomen. De Afdeling legde daarom een prejudiciële vraag voor aan het Hof van Justitie van de Europese Unie om hierover definitief uitspraak te doen. De behandeling van het hoger beroep is geschorst totdat het Hof uitspraak heeft gedaan.
Uitkomst: De behandeling van het hoger beroep is geschorst en prejudiciële vragen zijn gesteld aan het Hof van Justitie over de exclusieve bevoegdheid van de lidstaat waar het eerste asielverzoek is ingediend.