ECLI:NL:RBDHA:2018:2125
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Intrekking verblijfsvergunning en afwijzing aanvraag EU-verblijfsvergunning langdurig ingezetenen
Eiser, een Iraakse nationaliteit, had een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd die met terugwerkende kracht werd ingetrokken omdat hij zijn hoofdverblijf buiten Nederland had gevestigd. Tevens werd zijn aanvraag voor een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen afgewezen. Verweerder baseerde dit op uitschrijving uit de Basisregistratie Personen en een periode van verblijf buiten Nederland.
Eiser betoogde dat hij zijn hoofdverblijf niet had verplaatst, onder meer omdat zijn verblijf in Duitsland onvrijwillig was (detentie) en hij in Nederland had gewerkt en een sociaal netwerk had. Hij stelde dat verweerder onvoldoende had gemotiveerd en geen belangenafweging had gemaakt, met name met betrekking tot artikel 8 EVRM Pro.
De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij zijn hoofdverblijf in Nederland had tijdens de relevante periode. De getuigenverklaringen en documenten werden als onvoldoende concreet en objectief beoordeeld. Verweerder mocht de uitschrijving uit de BRP als belangrijke aanwijzing zien. Daarnaast was de belangenafweging rechtmatig, waarbij verweerder ook het strafrechtelijk verleden van eiser meewoog.
Het terugkeerbesluit was zorgvuldig gemotiveerd en het bezwaar was terecht kennelijk ongegrond verklaard. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en eiser kon binnen vier weken hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning en afwijzing van de EU-verblijfsvergunning is ongegrond verklaard.