ECLI:NL:RBDHA:2018:2452
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing machtiging tot voorlopig verblijf in kader van nareis wegens onvoldoende bewijs identiteit
Eiseres, van Eritrese nationaliteit, heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om haar aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis af te wijzen. De aanvraag was gebaseerd op haar relatie met haar echtgenoot, die een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd had gekregen.
De rechtbank overwoog dat eiseres haar identiteit en haar familierechtelijke relatie met haar echtgenoot niet met officiële documenten had aangetoond. Zij had een Soedanese vluchtelingenpas en een huwelijksakte overgelegd die als vals was beoordeeld. De rechtbank vond de stelling dat zij nooit een Eritrese identiteitskaart had gehad onvoldoende aannemelijk, mede omdat haar echtgenoot wel een kopie van een identiteitskaart had overgelegd.
De rechtbank verwierp het standpunt van eiseres dat haar een identificerend gehoor had moeten worden aangeboden en stelde vast dat de aanvraag terecht was afgewezen wegens het ontbreken van bewijs van identiteit. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van nareis wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende bewijs van identiteit.