ECLI:NL:RBDHA:2018:2577

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 februari 2018
Publicatiedatum
6 maart 2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 2608
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 29 Wet WOZArt. 22 Wet WOZArt. 2 Uitvoeringsbesluit Wet WOZ
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank oordeelt dat bezwaarschriften tegen ambtshalve WOZ-verminderingen niet-ontvankelijkheid onterecht is

Eiseres, eigenaar van een verhuurd onroerend goed, ontving vijf kennisgevingen van ambtshalve vermindering van de WOZ-waarden voor de jaren 2012 tot en met 2016. Tegen deze kennisgevingen diende zij bezwaarschriften in, die verweerder niet-ontvankelijk verklaarde. De rechtbank oordeelt dat deze niet-ontvankelijkheid onterecht is omdat de bezwaren gericht zijn tegen de ambtshalve verminderingen van de WOZ-waarden.

De rechtbank verwijst naar het arrest van de Hoge Raad van 20 oktober 2017, waarin is bepaald dat een belang bij de vastgestelde WOZ-waarde voldoende is om een rechtsgang te openen. De eerdere uitleg dat ambtshalve verminderingen niet voor bezwaar en beroep vatbaar zijn, is achterhaald door wetswijzigingen per 1 oktober 2015.

De rechtbank vernietigt daarom de uitspraken op bezwaar van verweerder en wijst de zaken terug zodat verweerder opnieuw uitspraak kan doen. Tevens veroordeelt de rechtbank verweerder in de proceskosten van eiseres en draagt verweerder op het betaalde griffierecht te vergoeden.

Uitkomst: De rechtbank verklaart de bezwaren van eiseres ontvankelijk, vernietigt de niet-ontvankelijkheidsuitspraken en wijst de zaken terug naar verweerder voor nieuwe beslissing.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht
zaaknummers: SGR 17/2608, 17/2611, 17/2613, 17/2617 en 17/2619

uitspraak van de meervoudige kamer van 5 februari 2018 in de zaken tussen

[B.V. X], gevestigd te [vestigingsplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. C.M.E. Verhaegh),
en

de heffingsambtenaar van de gemeente Den Haag, verweerder.

Procesverloop

Met dagtekening 19 september 2016 en 16 november 2016 zijn in totaal vijf kennisgevingen op de voet van artikel 29 Wet Pro waardering onroerende zaken (Wet WOZ) aan eiseres toegezonden. Deze kennisgevingen hebben betrekking op ambtshalve verminderingen van de waarden die met toepassing van de Wet WOZ door verweerder aan de onroerende zaak gelegen aan [adres] te [plaats] voor de jaren 2012 t/m 2016 waren toegekend.
Verweerder heeft bij vijf afzonderlijke uitspraken op bezwaar van 8 maart 2017 de bezwaren van eiseres tegen de kennisgevingen niet-ontvankelijk verklaard.
Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 november 2017.
Namens eiseres zijn haar gemachtigde en [persoon 1] verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [persoon 2].
De beroepen van eiseres met de zaaknummers SGR 17/2608, SGR 17/2611, SGR 17/2613, SGR 17/2617 en SGR 17/2619 zijn ter zitting gelijktijdig behandeld.

Overwegingen

Feiten
1. Eiseres is eigenaar van de onroerende zaak gelegen aan [adres] te [plaats] (het object). Eiseres heeft het object verhuurd aan een gebruiker.
2. Aan eiseres zijn met dagtekening 29 februari 2012, 28 februari 2013, 28 februari 2014, 17 februari 2015 en 29 maart 2016 beschikkingen gegeven met toepassing van artikel 22 van Pro de Wet WOZ. In die beschikkingen is voor de jaren 2012 t/m 2016 de waarde van het object door verweerder vastgesteld (WOZ-waarde). Eiseres heeft tegen deze beschikkingen geen bezwaarschriften ingediend.
3. Verweerder heeft ter zitting verklaard dat de gebruiker van het object bezwaar had gemaakt tegen de WOZ-waarde van het object voor het kalenderjaar 2016. Naar aanleiding hiervan is de WOZ-waarde verlaagd. Vervolgens heeft de gebruiker verzocht om ambtshalve vermindering van de WOZ-waarden betreffende de kalenderjaren 2012 tot en met 2015.
4. Naar aanleiding van het vermelde onder 3 zijn met dagtekening 19 september 2016 en 16 november 2016 in totaal een vijftal kennisgevingen van ambtshalve vermindering op de voet van artikel 29 Wet Pro WOZ aan eiseres toegezonden. Hierbij is de WOZ-waarde van de onroerende zaak, op de waardepeildatum 1 januari 2011, verlaagd van € 1.450.000 tot een bedrag van € 1.125.000 (zaaknummer SGR 17/2611). De WOZ-waarde van de onroerende zaak, op de waardepeildatum 1 januari 2012, is verlaagd van € 1.450.000 tot een bedrag van € 1.125.000 (zaaknummer SGR 17/2619). Met waardepeildatum 1 januari 2013 is de WOZ-waarde verlaagd van € 1425.000 tot een bedrag van € 1.125.000 (zaaknummer SGR 17/2617). De WOZ-waarde op de waardepeildatum 1 januari 2014 is verlaagd van € 1.200.000 tot een bedrag van € 945.000 (zaaknummer SGR 17/2608) en de WOZ-waarde op de waardepeildatum 1 januari 2015 is verlaagd van € 1.175.000 tot een bedrag van € 670.000 (zaaknummer SGR 17/2613).
5. Eiseres heeft naar aanleiding van de kennisgevingen bezwaarschriften ingediend tegen de verlaging van de WOZ-waarden van het object.
6. Verweerder heeft bij uitspraken op bezwaar van 8 maart 2017 de bezwaarschriften niet-ontvankelijk verklaard.
Geschil7. In geschil is of de bezwaarschriften van eiseres terecht niet-ontvankelijk zijn verklaard.
8. Eiseres neemt het standpunt in dat zij een rechtsingang heeft omdat zij gelet op een lopende onteigeningsprocedure, een belang heeft bij de behandeling van haar bezwaren.
9. Verweerder heeft het standpunt van eiseres gemotiveerd betwist.
Beoordeling van het geschil
10. Eiseres heeft nadat zij de kennisgevingen van ambtshalve vermindering had ontvangen bezwaarschriften ingediend tegen de verlaging van de WOZ-waarden van het object voor de kalenderjaren 2012 tot en met 2016. De rechtbank is van oordeel dat verweerder deze bezwaarschriften van eiseres had moeten aanmerken als zijnde gericht tegen de ambtshalve verminderingen van de WOZ-waarden van het object. Verweerder heeft de bezwaarschriften van eiseres dan ook ten onrechte aangemerkt als gericht tegen een mededeling op basis van artikel 29 van Pro de Wet WOZ.
11. Verweerder heeft de besluiten tot het ambtshalve verlagen van de WOZ-waarden genomen op basis van artikel 2 van Pro het Uitvoeringsbesluit Wet WOZ (het Uitvoeringsbesluit). In de toelichting bij artikel 2 van Pro het Uitvoeringsbesluit wordt vermeld dat de verminderingsbeschikkingen niet voor bezwaar en beroep vatbaar zijn (Toelichting besluit 16 januari 1997, Stb 1997, 30, p. 3). Deze toelichting dateert echter van voor de wetswijzing van 1 oktober 2015, waarbij onder andere is bepaald dat een WOZ-beschikking in bezwaar of ambtshalve niet alleen kan worden verlaagd maar ook verhoogd (Wet van 28 maart 2013, Stb 2013, 129). In het arrest van de Hoge Raad van 20 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2656 is bepaald dat de hiervoor genoemde wetswijziging onmiddellijke werking heeft aangezien niet in een bijzondere bepaling van overgangsrecht is voorzien. Ook volgt uit dit arrest dat indien een partij stelt een belang te hebben bij een vastgestelde WOZ-waarde dit reeds voldoende is om een procesbelang aanwezig te achten. Het voorgaande leidt ertoe dat verweerder eiseres op een onjuiste grond niet-ontvankelijk heeft verklaard in haar bezwaren. Verweerder zal moeten beslissen over de bezwaren van eiseres tegen de verminderingsbeschikkingen.
12. Gelet op wat hiervoor is overwogen dienen de beroepen gegrond te worden verklaard. De rechtbank zal de zaken terugwijzen naar verweerder omdat in de onderhavige zaken verweerder opnieuw een uitspraak op bezwaar dient te doen.
Proceskosten
13. De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Ten aanzien van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand merkt de rechtbank de zaaknummers SGR 17/2608, SGR 17/2611,
SGR 17/2613, SGR 17/2617 en SGR 17/2619, die alle gegrond zijn, aan als samenhangend. Deze zaken zijn gelijktijdig door de bestuursrechter behandeld, in deze zaken is door dezelfde persoon rechtsbijstand verleend en de werkzaamheden van deze persoon zijn in elk van de zaken nagenoeg identiek geweest. De kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand stelt de rechtbank voor genoemde samenhangende zaken op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.876,50 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 249 alsmede 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 501. De rechtbank heeft daarbij aan het gewicht van de zaken wegingsfactor 1 toegekend en hanteert factor 1,5 wegens samenhang).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart de beroepen gegrond;
  • vernietigt de uitspraken op bezwaar;
  • wijst de zaken terug naar verweerder en draagt verweerder op om met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen opnieuw uitspraak te doen op de bezwaarschriften van eiseres;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.876,50;
  • draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 333 aan eiseres te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.A. Dirks, voorzitter, en mr. R.C.H.M. Lips en mr. J.W. van den Berge, leden, in aanwezigheid van mr. B. van Eeuwijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 februari 2018.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht), Postbus 20302,
2500 EH Den Haag.