Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 maart 2018 in de zaak tussen
[eiser] , eiser, en
[kind]en
[kind],
Rechtbank Den Haag
Eisers, Koptische christenen uit Cairo, hebben asiel aangevraagd wegens vermeende discriminatie en dreiging met vrouwenbesnijdenis door familieleden. De staatssecretaris wees de aanvragen af omdat de persoonlijke vrees niet aannemelijk was en Koptische christenen niet als kwetsbare minderheid werden erkend.
De rechtbank overwoog dat de overgelegde landenrapporten en eerdere jurisprudentie geen aanwijzingen geven voor een verslechterde veiligheidssituatie voor Koptische christenen in Egypte. De rechtbank volgde de staatssecretaris in het oordeel dat eisers onvoldoende concreet hebben aangetoond waarom zij persoonlijk gevaar lopen.
Verder achtte de rechtbank het aannemelijk dat eisers hun dochter kunnen beschermen tegen besnijdenis, ondanks de druk van de grootmoeder. De stelling dat culturele factoren dit verhinderen werd onvoldoende onderbouwd.
Daarom werd het beroep ongegrond verklaard en is geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvragen wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende aannemelijk gemaakte persoonlijke vrees en het ontbreken van een kwetsbare minderheidssituatie.