ECLI:NL:RBDHA:2018:2938
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag wegens ongeloofwaardig asielrelaas en onvoldoende bewijs vervolging in Afghanistan
Eiser, een Afghaanse asielzoeker, verzocht om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Hij stelde dat zijn vader door IS was onthoofd, zijn ouderlijk huis in brand was gestoken, zijn moeder mishandeld en zussen ontvoerd waren, en dat hij als sjiitische Pashtun vervolg zou worden.
De staatssecretaris wees de aanvraag af wegens ongeloofwaardigheid van het asielrelaas. De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende bewijs leverde voor de ernstige gebeurtenissen en dat zijn verhaal grotendeels gebaseerd was op geruchten en niet-objectieve bronnen. Ook werd het nagenoeg identieke verhaal van andere asielzoekers uit dezelfde regio als twijfelachtig gezien.
Verder concludeerde de rechtbank dat de situatie van sjiitische minderheden in de regio niet zodanig problematisch is dat er sprake is van een reëel vervolgingsgevaar. De algemene veiligheidssituatie in Afghanistan werd als zorgelijk maar niet uitzonderlijk beoordeeld, waardoor geen grond was voor een verblijfsvergunning op basis van artikel 15 Kwalificatierichtlijn Pro.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard wegens ongeloofwaardig asielrelaas en onvoldoende bewijs voor vervolging.