ECLI:NL:RBDHA:2018:3215
Rechtbank Den Haag
- Wraking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing wrakingsverzoek tegen kantonrechter in huurovereenkomstprocedure
In een procedure tussen een huurder en verhuurder over ontbinding van een huurovereenkomst heeft verzoeker een wrakingsverzoek ingediend tegen de kantonrechter. Verzoeker stelde dat hij niet volledig betrokken was bij de procedure en dat een comparitie zonder zijn medeweten had plaatsgevonden, waarbij een getuige was gehoord. Tevens was hij ontevreden over zijn advocaat die zonder zijn medeweten een schikking zou hebben getroffen.
De wrakingskamer heeft het verzoek ontvankelijk verklaard omdat het tijdig was ingediend na het ontstaan van de omstandigheden waarop het verzoek was gebaseerd. Bij de beoordeling is geoordeeld dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij er zwaarwegende aanwijzingen zijn voor vooringenomenheid of een objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor.
De kamer vond dat de bezwaren van verzoeker vooral betrekking hadden op het verloop van de procedure en de rol van zijn advocaat, en niet op de onpartijdigheid van de kantonrechter zelf. Er waren geen inhoudelijke wrakingsgronden tegen de kantonrechter aangevoerd, noch was er een schijn van partijdigheid. Daarom werd het wrakingsverzoek afgewezen en werd de hoofdprocedure voortgezet zoals die stond bij het indienen van het verzoek.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de kantonrechter wordt afgewezen wegens gebrek aan gegronde wrakingsgronden.