Uitspraak
Rabobank’.
Rechtbank Den Haag
Verzoeker en verzoekster hebben gelijktijdig verzoeken ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling en tot dwangakkoord op grond van artikel 287a Faillissementswet. Zij hebben een problematische financiële situatie met een totale schuld van respectievelijk € 36.635,50 en € 45.864,74, waarbij Rabobank een groot deel van de schuld bezit. De maandelijkse inkomsten liggen onder de beslagvrije voet, waardoor geen verhaal op inkomen mogelijk is.
Rabobank heeft geweigerd in te stemmen met het aangeboden akkoord, onder meer vanwege gemaakte veilingkosten en het ontbreken van betalingsregelingen. De rechtbank weegt het belang van Rabobank tegen dat van verzoeker, verzoekster en de overige schuldeisers. Gelet op de omstandigheden en het feit dat het akkoord het maximaal haalbare is, oordeelt de rechtbank dat Rabobank in redelijkheid niet tot weigering heeft kunnen komen.
De rechtbank wijst het dwangakkoord toe en beveelt Rabobank tot instemming. De verzoeken tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling worden niet-ontvankelijk verklaard vanwege de tienjaarstermijn die is verstreken sinds de eerdere regeling. De beslissing is genomen met het oog op de problematiek van verzoeker en verzoekster en de belangen van alle schuldeisers.
Uitkomst: De rechtbank beveelt Rabobank in te stemmen met het dwangakkoord en verklaart de WSNP-verzoeken niet-ontvankelijk wegens de tienjaarstermijn.