ECLI:NL:RBDHA:2018:3812

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 februari 2018
Publicatiedatum
4 april 2018
Zaaknummer
NL18.1291
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Dublinverordeningartikel 3 EVRMEuropees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen besluit Dublin-overdracht naar Italië voor Soedanese asielzoeker

Eiser, een Soedanese asielzoeker, heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 19 januari 2018 waarin werd bepaald dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielaanvraag op grond van de Dublinverordening. De rechtbank bevestigt dat Italië als verantwoordelijke lidstaat is aangewezen aangezien eiser illegaal via Italië de EU is binnengekomen en Italië deze verantwoordelijkheid heeft aanvaard.

De rechtbank oordeelt dat er geen gegronde reden is om aan te nemen dat Italië niet zal voldoen aan de communautaire asielrichtlijnen, waaronder de verplichting tot medische zorg en effectieve rechtsbescherming. De door eiser aangevoerde rapporten die systeemfouten in Italië zouden aantonen, zijn reeds eerder beoordeeld en onvoldoende om ernstige vrees te rechtvaardigen.

Verder heeft eiser geen ervaring met de formele asielprocedure in Italië omdat hij daar geen aanvraag heeft ingediend, maar wel medische behandeling ontvangen, wat duidt op naleving van internationale verplichtingen. Klachten over de behandeling in Italië dienen bij de Italiaanse autoriteiten te worden ingediend. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst een proceskostenveroordeling af.

Uitkomst: Het beroep tegen het Dublin-besluit tot overdracht aan Italië wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL18.1291
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 februari 2018 in de zaak tussen

[naam] , eiser

(gemachtigde: mr. M. Drenth),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. J.J.F.M. van Raak).

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 19 januari 2018 (het bestreden besluit).
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL18.1292, plaatsgevonden op 8 februari 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen N. Alwandawi. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en van Soedanese nationaliteit. Hij heeft op 29 augustus 2017 een asielaanvraag ingediend. Niet in geschil is dat op grond van de criteria in de Dublinverordening voor het bepalen van de verantwoordelijke lidstaat Italië verantwoordelijk is voor het behandelen van het verzoek om internationale bescherming, omdat eiser illegaal via dat land het grondgebied van de lidstaten is binnengekomen. Italië heeft deze verantwoordelijkheid ook aanvaard.
2. Er is geen grond om aan te nemen dat Italië zich bij de behandeling van het verzoek om internationale bescherming niet zal houden aan de communautaire asielrichtlijnen. Deze bevatten onder meer de verplichting van eventueel noodzakelijke medische behandeling van asielzoekers en het bieden van effectieve rechtsbescherming. Verweerder heeft in het bestreden besluit al gewezen op de bestendige rechtspraak die inhoudt dat er geen aanleiding is voor ernstige vrees dat de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Italië systeemfouten bevatten. De ter onderbouwing van die vrees door eiser aangehaalde rapporten van ASGI-AIDA van 27 februari 2017, de SFH/OSAR van 15 augustus 2016 en het jaarrapport van Amnesty International over Italië van 22 februari 2017 zijn in dat verband al eerder beoordeeld (zie de uitspraak van de rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, 23 januari 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:281). Verder heeft de rechtbank, zittingsplaats Roermond in de door verweerder aangehaalde uitspraak van 20 november 2017 al geoordeeld dat uit het ‘Memorandum of understanding’ tussen Italië en Sudan niet volgt dat overdracht aan Italië leidt tot behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden van Soedanese asielzoekers.
3. Verweerder heeft er verder terecht op gewezen dat eiser in Italië geen ervaringen heeft met de formele asielprocedure en de opvangvoorzieningen in dat kader, nu eiser daar geen asielaanvraag heeft ingediend. Wel heeft eiser medische behandeling gehad, hetgeen een indicatie is dat Italië zijn internationale verplichtingen nakomt. Voor zover eiser klaagt over de wijze waarop hij in Italië is behandeld, dient hij zich te wenden tot de Italiaanse autoriteiten. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij die mogelijkheid niet zou bezitten.
4. Verweerder heeft in hetgeen eiser heeft aangevoerd geen aanleiding hoeven zien om de behandeling van de asielaanvraag aan zich te trekken. De aanvraag is daarom terecht niet in behandeling genomen.
5. Het beroep is daarom ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.E. Paulus, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 februari 2018.
griffier
rechter
Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel