ECLI:NL:RBDHA:2018:4133

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 maart 2018
Publicatiedatum
11 april 2018
Zaaknummer
NL17.1765
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 Richtlijn 2011/95/EUArt. 31 lid 1 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag wegens ongeloofwaardigheid afvalligheid islam en christelijke interesse

Eiser, een Iraakse nationaliteitdragende man afkomstig uit Al-Muthanna en woonachtig in Bagdad tot september 2015, vroeg asiel aan op grond van zijn afvalligheid van de islam en interesse in het christendom. De staatssecretaris wees de aanvraag af wegens ongeloofwaardigheid van deze beweringen.

De rechtbank bevestigt dat de identiteit en herkomst van eiser geloofwaardig zijn, maar oordeelt dat zijn relaas over afvalligheid en christelijke interesse niet overtuigend is. Eiser gaf tegenstrijdige verklaringen, waaronder het noemen van zichzelf als atheïst en het uiten van liefde voor de islam, en toonde geen substantiële verdieping in het christendom.

De rechtbank volgt de staatssecretaris ook in de beoordeling dat er in Bagdad geen situatie bestaat die een beroep op artikel 15 van Pro Richtlijn 2011/95/EU rechtvaardigt. Eisers vrees voor zijn veiligheid bij terugkeer is onvoldoende onderbouwd.

Daarom is de asielaanvraag terecht afgewezen op grond van artikel 31 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Het beroep wordt ongegrond verklaard en een proceskostenveroordeling wordt niet toegewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard vanwege ongeloofwaardigheid van de afvalligheid en onvoldoende onderbouwing van de gevreesde situatie.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: NL17.1765

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 maart 2018 in de zaak tussen

[naam] , eiser

(gemachtigde: mr. R.E. Temmen),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, daaronder begrepen diens rechtsvoorgangers, verweerder
(gemachtigde: mr. N. Hamzoui).

ProcesverloopBij besluit van 18 april 2017 (bestreden besluit) heeft verweerder eisers aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 januari 2018 in Breda. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en heeft de Iraakse nationaliteit. Op 13 november 2015 heeft hij een aanvraag ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.
2. Eiser heeft aan zijn aanvraag ten grondslag gelegd dat hij afkomstig is uit Al-Muthanna. Vanaf 2013 tot aan zijn vertrek uit Irak in september 2015 heeft hij in de stad Bagdad gewoond. Hij heeft de islam verstoten en hij heeft interesse in het christendom, waarin hij zich ook heeft verdiept.
3. Verweerder heeft eisers gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig geacht. De overige elementen (inhoudende eisers ‘verstoting' van de islam en zijn interesse en verdieping in het christendom) zijn ongeloofwaardig geacht. Voor de onderbouwing hiervan door verweerder wordt verwezen naar de pagina’s 2 en 3 van het voornemen en pagina 4 van het bestreden besluit.
4. Eiser stelt in beroep – kort samengevat – dat de huidige situatie voor hem zeer verwarrend is, omdat hij twintig jaar lang verhalen heeft moeten aanhoren over de islam. Hij wijst erop dat hij in het aanvullend gehoor heeft verklaard dat hij de islam volledig heeft afgezworen. Eiser stelt als afvallige te vrezen voor zijn leven in geval van terugkeer naar de stad Bagdad, alwaar volgens hem sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Richtlijn 2011/95/EU.
De rechtbank overweegt als volgt.
5. Eiser heeft bij het aanvullend gehoor onder meer verklaard dat hij zich volledig heeft afgekeerd van de islam en dat hij Jezus ziet als zijn meest favoriete persoon, maar niet als de zoon van God. Daarnaast heeft hij verklaard van de islam te houden. Verweerder wordt gevolgd in zijn standpunt dat deze, en ook eisers overige verklaringen bij het nader en aanvullend gehoor er niet op duiden dat eiser zich volledig heeft afgekeerd van de islam. Uit zijn verklaringen kan met name worden opgemaakt dat hij bepaalde karaktertrekken belangrijk vindt, maar deze behoren niet uitsluitend tot een bepaald geloof. Verweerder werpt eiser dan ook niet ten onrechte tegen dat hij in de periode voorafgaand aan het aanvullend gehoor veel tijd heeft gehad om zich in het christendom te verdiepen, maar dat hij dit niet echt heeft gedaan omdat hij pas dertig minuten met een Arabisch sprekende pastor zou hebben kunnen praten. Overigens is ook niet gebleken dat eiser daadwerkelijk interesse heeft in het christendom of het jodendom, en dat hij zich hierin wil verdiepen, of heeft verdiept. Eisers relaas wint overigens ook niet aan geloofwaardigheid, nu hij in beroep heeft verklaard dat hij zichzelf inmiddels een atheïst noemt.
6. Gezien het voorgaande heeft verweerder eisers gestelde afvalligheid van de islam en interesse en verdieping in het christendom niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht. Dit betekent dat eiser ook niet kan worden gevolgd in zijn stelling dat hij als afvallige moet vrezen voor zijn leven bij terugkeer naar de stad Bagdad. In het bestreden besluit wordt voorts op steekhoudende wijze en onder verwijzing naar objectieve bronnen en rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en het Britse Upper Tribunal uiteengezet waarom in de stad Bagdad geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Richtlijn 2011/95/EU. Eisers niet nader onderbouwde stelling dat wel sprake is van een dergelijke situatie vormt geen aanleiding om verweerders standpunt over dit onderwerp onjuist te achten. Verweerder heeft dan ook niet ten onrechte het standpunt ingenomen dat eiser bij terugkeer zich in de stad Bagdad kan vestigen.
7. Gezien het voorgaande heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in samenhang met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen. Verweerder heeft de asielaanvraag daarom terecht op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 afgewezen.
8. Het beroep is ongegrond.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Toekoen, rechter, in tegenwoordigheid van mr. M.I.P. Buteijn, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 maart 2018.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.