Eiser, een Turkse zelfstandige ondernemer, verzocht om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd om als zelfstandige te werken bij een vennootschap onder firma. Verweerder wees de aanvraag af omdat het ondernemingsplan onvoldoende onderbouwd was en de financiële situatie van de onderneming onvoldoende inzichtelijk.
Eiser maakte bezwaar en verzocht om een voorlopige voorziening, welke werd afgewezen. Tijdens de bezwaarprocedure en de zitting heeft eiser meerdere versies van het ondernemingsplan en financiële stukken overgelegd, maar deze waren inconsistent en misten onder meer een gedegen marktanalyse, een liquiditeitsprognose en bewijsstukken ter onderbouwing.
De rechtbank oordeelde dat het aan de overheid is om te beoordelen of de aanvraag voldoende is onderbouwd en dat eiser onvoldoende objectieve stukken heeft overgelegd om aan te tonen dat zijn onderneming een wezenlijk Nederlands belang dient. Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel en de standstill-bepaling van het Turks associatierecht faalde.
Ten slotte vond de rechtbank dat verweerder terecht van horen heeft afgezien omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was. Het beroep wordt ongegrond verklaard en een proceskostenveroordeling wordt niet toegewezen.