VGZ Zorgverzekeraar vordert betaling van premie en zorgkosten van de gedaagde over de periode mei 2009 tot en met december 2010, inclusief wettelijke rente en incassokosten. De gedaagde betwist dat er een zorgverzekeringsovereenkomst tussen partijen is gesloten en stelt dat hij geen verzekering wenst en zelf zorgkosten heeft betaald.
Tijdens de comparitie is vastgesteld dat VGZ de totstandkoming van de overeenkomst moet bewijzen. VGZ kan geen afschrift van de overeenkomst overleggen en heeft geen toelichting gegeven over hoe de overeenkomst tot stand zou zijn gekomen. Wel overlegt zij een afdruk van berekende premies en betaalde zorgkosten.
De rechtbank oordeelt dat het bewijs van de overeenkomst ontbreekt en dat het primair op VGZ ligt om de grondslag van haar vordering aan te tonen. Het ontbreken van bewijs leidt tot afwijzing van de vordering. VGZ wordt veroordeeld in de proceskosten van de gedaagde.