ECLI:NL:RBDHA:2018:5037

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 april 2018
Publicatiedatum
30 april 2018
Zaaknummer
AWB 17/16544
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 32 Verordening (EG) Nr. 810/2009 (Visumcode)
Verwijzingen
1 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering visum kort verblijf wegens onvoldoende sociale en economische binding met Irak

Eiseres, een Iraakse vrouw van 50 jaar, vroeg op 7 juli 2017 een visum kort verblijf aan om haar zus in Nederland te bezoeken. De minister van Buitenlandse Zaken weigerde het visum op grond van artikel 32 van Pro de Visumcode, omdat eiseres het doel van het verblijf en haar terugkeer naar Irak onvoldoende had aangetoond.

Eiseres maakte bezwaar tegen deze weigering, maar dit werd ongegrond verklaard. De rechtbank toetste het besluit en concludeerde dat verweerder zich terecht op het standpunt kon stellen dat eiseres een zeer geringe sociale binding met Irak heeft, mede omdat zij ongehuwd is, geen kinderen heeft, en geen zwaarwegende maatschappelijke verplichtingen in Irak. Haar economische binding was eveneens onvoldoende, aangezien zij geen bewijs leverde van daadwerkelijke pensioenuitkeringen.

De rechtbank oordeelde dat verweerder binnen zijn beoordelingsruimte handelde en dat eiseres haar tijdige terugkeer niet aannemelijk had gemaakt. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en het eerdere visum uit 2005 door Duitsland was niet relevant vanwege veranderde persoonlijke omstandigheden.

Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van het visum kort verblijf wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: AWB 17/16544

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 april 2018 in de zaak tussen

[eiseres], eiseres,

(gemachtigde: mr. D. Schaap),
en

de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder,

(gemachtigde: mr. N. Hamzaoui).

Procesverloop

Bij besluit van 21 november 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen de weigering om aan haar een visum voor kort verblijf af te geven kennelijk ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 28 februari 2018. Eiseres en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Tevens was aanwezig [referente] (referente).

Overwegingen

1. Eiseres is geboren op [geboortedatum] en bezit de Iraakse nationaliteit. Op 7 juli 2017 heeft zij een aanvraag ingediend om afgifte van een visum voor kort verblijf met als doel het bezoeken van referente, zijnde haar zus.
2. Bij besluit van 24 juli 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder deze aanvraag afgewezen op grond van artikel 32 van Pro de Verordening (EG) Nr. 810/2009 (Visumcode). Verweerder stelt zich op het standpunt dat het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende zijn aangetoond en dat het voornemen om het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van het visum niet kon worden vastgesteld.
3. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Bij het bestreden besluit heeft verweerder dit bezwaar kennelijk ongegrond verklaard.
4. Op wat eiseres daartegen aanvoert wordt hierna ingegaan.
De rechtbank oordeelt als volgt.
5. Op grond van artikel 32 van Pro de Visumcode, voor zover van belang, wordt het visum geweigerd indien de aanvrager het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet heeft aangetoond, of indien er redelijke twijfel bestaat over zijn voornemen om het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum.
6. Uit het toepasselijke gemeenschapsrecht vloeit voort dat het aan de aanvrager is om zijn verblijfsdoel en zijn tijdige terugkeer naar het land van herkomst aannemelijk te maken. Bij het onderzoek of er een redelijke twijfel bestaat over diens voornemen om het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van het visum, komt verweerder een ruime beoordelingsruimte toe. De rechter kan het oordeel van verweerder daarom slechts terughoudend toetsen. Dit volgt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 december 2013 in de zaak Koushkaki tegen Duitsland (C-84/12).
7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat eiseres een zeer geringe sociale binding met Irak heeft.
Eiseres is 50 jaar, ongehuwd en heeft geen kinderen, zodat zij geen verantwoordelijkheid draagt voor een achterblijvend gezin. Haar vader is overleden en eiseres woont samen met haar moeder en broer. Eiseres heeft vijf broers en zussen, waarvan twee broers/zussen in Nederland verblijven, één zus in Groot-Brittannië en twee broers/zussen in Irak. Niet is gebleken van zwaarwegende maatschappelijke verplichtingen van eiseres in Irak. Verder heeft zij in beroep bevestigd dat zij niet in Irak aanwezig hoeft te zijn om voor haar moeder en broer te zorgen, omdat zij zelfredzaam zijn.
8. Ten aanzien van de economische binding van eiseres met Irak heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze onvoldoende is aangetoond dan wel zeer gering is. Eiseres heeft verklaard in Irak inkomsten uit pensioen te hebben. Zij heeft echter geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat er daadwerkelijk pensioen aan haar wordt uitgekeerd. Voor zover moet worden aangenomen dat zij pensioen ontvangt, is niet gebleken dat dit pensioen niet in het buitenland kan worden uitbetaald. In beroep en ter zitting heeft eiseres gesteld dat zij de betaling van haar pensioen niet met bankafschriften kan aantonen, omdat haar pensioen niet per bank maar contant wordt uitbetaald. De rechtbank is van oordeel dat het voorgaande te gering is voor het aannemen van voldoende economische binding met Irak.
De omstandigheid dat aan eiseres in 2005 door Duitsland een visum voor kort verblijf is verleend, kan niet tot een ander oordeel leiden. De persoonlijke omstandigheden van eiseres zijn immers niet gelijk gebleven. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat eiseres ten tijde van de afgifte van het visum in 2005 werkte en nu kennelijk niet meer.
9. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiseres op grond van het voorgaande haar tijdige terugkeer naar Irak niet aannemelijk heeft gemaakt. Verweerder heeft het visum daarom terecht geweigerd.
10. Het beroep is ongegrond.
11. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Toekoen, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J.A.B. Koens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 april 2018.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.