ECLI:NL:RBDHA:2018:5037
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Weigering visum kort verblijf wegens onvoldoende sociale en economische binding met Irak
Eiseres, een Iraakse vrouw van 50 jaar, vroeg op 7 juli 2017 een visum kort verblijf aan om haar zus in Nederland te bezoeken. De minister van Buitenlandse Zaken weigerde het visum op grond van artikel 32 van Pro de Visumcode, omdat eiseres het doel van het verblijf en haar terugkeer naar Irak onvoldoende had aangetoond.
Eiseres maakte bezwaar tegen deze weigering, maar dit werd ongegrond verklaard. De rechtbank toetste het besluit en concludeerde dat verweerder zich terecht op het standpunt kon stellen dat eiseres een zeer geringe sociale binding met Irak heeft, mede omdat zij ongehuwd is, geen kinderen heeft, en geen zwaarwegende maatschappelijke verplichtingen in Irak. Haar economische binding was eveneens onvoldoende, aangezien zij geen bewijs leverde van daadwerkelijke pensioenuitkeringen.
De rechtbank oordeelde dat verweerder binnen zijn beoordelingsruimte handelde en dat eiseres haar tijdige terugkeer niet aannemelijk had gemaakt. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en het eerdere visum uit 2005 door Duitsland was niet relevant vanwege veranderde persoonlijke omstandigheden.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van het visum kort verblijf wordt ongegrond verklaard.