ECLI:NL:RBDHA:2018:5231
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening toegewezen tot voortzetting opvang asielzoeker na niet-ontvankelijkverklaring
Verzoekster diende op 3 januari 2018 een asielaanvraag in, die op 5 april 2018 niet-ontvankelijk werd verklaard door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Verzoekster werd daarop uit de opvang verwijderd en stelde beroep in tegen deze niet-ontvankelijkverklaring. Tevens verzocht zij de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening om haar opvang te continueren gedurende de beroepsprocedure.
Verweerder, het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA), stelde dat de rechtbank onbevoegd was omdat het ging om een feitelijke handeling en niet om een besluit, en dat verzoekster geen recht had op opvang volgens de geldende regeling. De voorzieningenrechter oordeelde echter dat de beëindiging van de opvang rechtsgevolgen heeft en gelijk te stellen is met een besluit, waardoor de rechtbank wel bevoegd is.
Verder werd gewezen op de Procedurerichtlijn die bepaalt dat een asielzoeker in afwachting van de beroepsprocedure in Nederland mag blijven en recht heeft op opvang. De voorzieningenrechter concludeerde dat verzoekster niet mag worden uitgezet zolang haar beroepsprocedure loopt en dat de opvang daarom moet worden voortgezet.
De voorzieningenrechter wees het verzoek om voorlopige voorziening toe en veroordeelde verweerder in de proceskosten van verzoekster. De uitspraak werd gedaan zonder mondelinge behandeling vanwege spoedeisend belang en de belangen van partijen werden daardoor niet geschaad.
Uitkomst: De voorzieningenrechter beveelt het COA de opvang van verzoekster voort te zetten totdat op het verzoek om voorlopige voorziening is beslist.