ECLI:NL:RBDHA:2018:5292

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 april 2018
Publicatiedatum
3 mei 2018
Zaaknummer
NL18.6228
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30 VwArt. 18 Verordening (EU) nr. 604/2013Art. 34 Verordening (EU) nr. 604/2013Art. 8 Verordening (EU) nr. 604/2013Art. 17 Verordening (EU) nr. 604/2013
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen weigering asielaanvraag op grond van Dublinverordening en leeftijdsdispuut

Eiser, van Eritrese nationaliteit, vroeg asiel aan in Nederland en gaf aan minderjarig te zijn. Verweerder weigerde de aanvraag in behandeling te nemen omdat Duitsland verantwoordelijk is op grond van de Dublinverordening, na vaststelling via Eurodac dat eiser eerder in Duitsland een asielaanvraag had gedaan. Eiser voerde aan dat hij niet meerderjarig is en dat verweerder ten onrechte geen leeftijdsonderzoek heeft verricht. Ook stelde hij psychische problemen en risico op indirecte uitzetting naar Eritrea aan de orde.

De rechtbank oordeelde dat de registratie van de geboortedatum in Duitsland betrouwbaar is en dat eiser onvoldoende bewijs leverde van zijn minderjarigheid. Een schoolrapport werd niet als identificerend document erkend. Ook waren er geen recente medische documenten om de psychische problemen te onderbouwen. De vrees voor indirecte uitzetting werd onvoldoende onderbouwd, mede gelet op het claimakkoord met Duitsland.

Verder was er geen bewijs dat eiser slachtoffer is van orgaanhandel in Libië dat tot opsporingsonderzoek heeft geleid. De rechtbank concludeerde dat verweerder terecht geen toepassing gaf aan artikel 8 van Pro de Dublinverordening en dat het beroep ongegrond is. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen wordt bevestigd.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL18.6228
uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 19 april 2018 in de zaak tussen

[eiser], eiser,

gemachtigde: mr. S. Igdeli,
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

gemachtigde: mr. P.M.W. Jans.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 27 maart 2018 (bestreden besluit).
Het beroep is ter zitting behandeld op 12 april 2018, gelijktijdig met het door eiser ingediende verzoek om een voorlopige voorziening teneinde uitzetting te voorkomen alvorens op het beroep is beslist (NL18.6229). Eiser is, met voorafgaande afmelding, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser is van Eritrese nationaliteit en heeft 8 november 2017 in Nederland gevraagd om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Eiser gaf daarbij op minderjarig te zijn.
2. Verweerder heeft de aanvraag niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), omdat Duitsland daarvoor verantwoordelijk wordt geacht. Met Duitsland is op 5 december 2017 een claimakkoord tot stand gekomen op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Verordening (EU) nr. 604/2013 (hierna: de Dublinverordening), nadat uit Eurodac is gebleken dat eiser op 3 april 2017 in Duitsland heeft gevraagd om verlening van een asielvergunning. Na onderzoek op grond van artikel 34 van Pro de Dublinverordening houdt verweerder als geboortedatum van eiser [geboortedatum] aan.
3. Eiser heeft daartegen - samengevat weergegeven - het volgende aangevoerd.
- Verweerder heeft ten onrechte aangenomen dat hij meerderjarig is. Eiser stelt dat hij zijn leeftijd niet middels een identificerend document kan aantonen, nu een dergelijk document in Eritrea pas vanaf de leeftijd van 18 jaar wordt verkregen. Eisers schoolpas is in 2014 in Ethiopië ingenomen, maar de daarop vermelde geboortedatum is ook opgenomen in het overgelegde schoolrapport. Verweerder heeft ten onrechte afgezien van het verrichten van leeftijdsonderzoek, nu hij een begin van bewijs van zijn minderjarigheid heeft geleverd.
- Eiser stelt in een zeer slechte psychische situatie te verkeren. Hierdoor is bij aankomst in Duitsland ook het een en ander mis gegaan bij het opnemen van zijn gegevens.
- Volgens eiser leidt overdracht aan Duitsland ertoe dat hij wordt teruggestuurd naar Eritrea, wat een behandeling zal opleveren die in strijd is met artikel 3 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
- Eiser is aangemeld bij de Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel (AVIM), omdat er aanwijzingen zijn die erop duiden dat hij in de periode dat hij in Libië verbleef slachtoffer is geworden van orgaanhandel. Verweerder heeft het resultaat van het onderzoek hierover ten onrechte niet afgewacht.
De rechtbank overweegt als volgt.
4. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), zie onder meer de uitspraken van 17 januari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:134, en 20 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:780, volgt dat informatie uit één andere lidstaat waaruit blijkt dat de vreemdeling meerderjarig is, volstaat om de vreemdeling ook in Nederland meerderjarig te verklaren, mits in Nederland geen authentieke, identificerende documenten zijn overgelegd. Verder volgt uit de uitspraken van de Afdeling van 9 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2159, en 15 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2219, dat verweerder er, gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel, in beginsel van mag uitgaan dat de registratie van de geboortedatum zorgvuldig heeft plaatsgevonden, zodat het aan de vreemdeling is om aannemelijk te maken dat de geregistreerde geboortedatum onjuist is. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser hier niet in geslaagd. Een identificerend document is niet overgelegd. Een schoolrapport is geen identificerend document nu dat geen foto van eiser bevat. Verweerder heeft gezien het voorgaande terecht geen toepassing gegeven aan artikel 8 van Pro de Dublinverordening.
5. Verweerder heeft in eisers gestelde psychische problemen geen aanleiding hoeven zien om eisers aanvraag aan zich te trekken. Eiser heeft geen recent gedateerde medische documenten overgelegd om de gestelde problemen te onderbouwen. Verder mag Duitsland op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel worden geacht dezelfde medische behandelingsmogelijkheden te bieden als Nederland.
6. Eisers vrees voor indirect refoulement is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd. Duitsland heeft zich met het claimakkoord verplicht om eisers asielverzoek te behandelen. Indien sprake is van eventuele problemen dient daarover te worden geklaagd bij de desbetreffende autoriteiten (zie ook het arrest K.R.S. tegen het Verenigd Koninkrijk van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 2 december 2008, ECLI:NL:XX:2008:BG9802, JV 2009/41). Niet is gebleken dat voor eiser die mogelijkheid niet bestaat.
7. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat er geen feiten en omstandigheden zijn op grond waarvan hij de asielaanvraag op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening aan zich had moeten trekken. Wat eiser heeft aangevoerd over orgaanhandel maakt dit niet anders, nu niet gebleken is dat eiser aangifte heeft gedaan of op andere wijze medewerking heeft verleend aan een strafrechtelijke opsporings- of vervolgingsonderzoek. Indien dit het geval zou zijn, zou verweerder hierover door de politie of Koninklijke Marechaussee in kennis zijn gesteld middels het model 'Kennisgeving van aangifte of het verlenen van medewerking aan het strafproces mensenhandel' gedurende de asielprocedure. De stelling van verweerder dat dit niet het geval is, is door eiser niet betwist.
8. Geconcludeerd wordt dat het beroep ongegrond is. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.M. van Dijk-de Keuning, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J. Loonstra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 april 2018.
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.