Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 april 2018 in de zaak tussen
[eiser], eiser, en
[kind]en
[kind],
Rechtbank Den Haag
Eisers, Armeense nationaliteit, vroegen asiel aan in Nederland na binnenkomst via Schengenvisum. Zij stelden te zijn bedreigd en mishandeld vanwege betrokkenheid bij drugssmokkel en ontvoering van hun dochter. Verweerder wees hun aanvragen af als kennelijk ongegrond wegens ongeloofwaardigheid, niet onverwijld melden en vermoedelijk kwade trouw bij vernietiging paspoort.
De rechtbank oordeelt dat verweerder de geloofwaardigheid van de afzonderlijke elementen van het asielrelaas terecht afzonderlijk heeft beoordeeld en dat de tegenwerpingen over inconsistenties en onduidelijkheden in de verklaringen terecht zijn gemaakt. Eisers slaagden er niet in deze tegenwerpingen te weerleggen, waaronder tegenstrijdigheden over de tas met drugs, mishandeling, verkoop huis en ontvoering dochter.
Ook het argument dat het paspoort in paniek werd vernietigd werd niet aannemelijk geacht. Daarnaast was het niet onverwijld melden van het asielverzoek een gegronde reden voor afwijzing. De rechtbank concludeert dat het beroep ongegrond is en wijst het af. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvragen wordt ongegrond verklaard vanwege ongeloofwaardig asielrelaas en niet onverwijld melden.