ECLI:NL:RBDHA:2018:5306

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 april 2018
Publicatiedatum
3 mei 2018
Zaaknummer
17/13506
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 RvaArt. 7:2 AwbEuropees Verdrag voor de Rechten van de Mens, Art. 3
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen recht op opvang wegens ontbreken zeer bijzondere omstandigheden en geen schending hoorplicht

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa) waarin hem de toegang tot opvang is geweigerd op grond van de Regeling verstrekkingen asielzoekers (Rva). Eerder was zijn asielaanvraag afgewezen en hij verblijft niet rechtmatig in Nederland. De rechtbank overweegt dat eiser niet behoort tot de categorieën vreemdelingen die recht hebben op opvang volgens de Rva en dat hij geen zeer bijzondere omstandigheden heeft gesteld die opvang rechtvaardigen.

Eiser stelde dat het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) zich verzet tegen zijn uitzetting en dat hij recht heeft op een verblijfsstatus en opvang. Ook stelde hij dat de hoorplicht door verweerder is geschonden. De rechtbank oordeelt dat het ontbreken van rechtmatig verblijf en het niet behoren tot de beschermde categorieën vaststaan. Er zijn geen bijzondere omstandigheden zoals een acute medische noodsituatie die opvang vereisen.

De rechtbank verwijst naar vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dat opvang alleen in zeer beperkte gevallen wordt toegekend. De hoorplicht is niet van toepassing bij de beoordeling van opvangverzoeken, omdat er geen bezwaarprocedure openstaat. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en eiser krijgt geen recht op opvang wegens ontbreken van zeer bijzondere omstandigheden en geen schending van de hoorplicht.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 17/13506

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 april 2018 in de zaak tussen

[eiser], eiser,

(gemachtigde: mr. P.R. Klaver),
en

het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa), verweerder,

(gemachtigde: mr. S.H.M. Maas).

ProcesverloopBij besluit van 18 juli 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder besloten dat eiser geen recht heeft op opvang op grond van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 (Rva).

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Nadat bij brief van 12 februari 2018 van eiser is gemeld dat namens eiser niemand ter zitting (op 15 februari 2018) zal verschijnen, heeft de rechtbank met verkregen toestemming van verweerder het onderzoek zonder zitting gesloten.

Overwegingen

1. Bij besluit van 4 juni 2015 heeft de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie eisers asielaanvraag afgewezen. Bij uitspraak van 28 juli 2016 heeft deze rechtbank het beroep tegen dit besluit voor zover dat ziet op het inreisverbod ongegrond en overigens niet-ontvankelijk verklaard. Die uitspraak is door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) bevestigd op 14 november 2017 (201606575/1/V1).
2. Bij schrijven van 22 juni 2017 en 6 april 2017 heeft eiser verweerder verzocht om te worden toegelaten tot de opvang. Verweerder heeft deze verzoeken bij het bestreden besluit afgewezen omdat eiser niet rechtmatig in Nederland verblijft en hij daarom niet behoort tot één van de categorieën vreemdelingen zoals genoemd in artikel 1, aanhef en sub d, van de Rva, juncto artikel 3, tweede en derde lid, van de Rva. Volgens verweerder is geen sprake van zeer bijzondere omstandigheden op grond waarvan eiser desondanks moet worden toegelaten tot de opvang.
3. Eiser voert in beroep - samengevat - het volgende aan. Artikel 3 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) verzet zich duurzaam tegen uitzetting van eiser. Hij wijst erop dat hij al zeer lang in Nederland verblijft en altijd opvang heeft gehad. Eiser stelt dat aan hem een verblijfsstatus moet worden toegekend. Volgens eiser is gelet op zijn zeer bijzondere situatie ten onrechte niet besloten om hem tot de opvang toe te laten. Ook heeft verweerder hem ten onrechte niet gehoord, aldus eiser.
De rechtbank overweegt als volgt.
4. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser op dit moment geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland. Evenmin is in geschil dat eiser niet behoort tot één van de categorieën vreemdelingen als bedoeld in artikel 3, tweede en derde lid, van de Rva. Het geschil beperkt zich tot de vraag of sprake is van zeer bijzondere omstandigheden op grond waarvan eiser opvang moet worden verleend en of verweerder de hoorplicht heeft geschonden.
5. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 28 maart 2007 (ECLI:NL:RVS:2007:BA4652), kan verweerder opvang verlenen in zeer bijzondere omstandigheden die tot feitelijke opvang nopen, voor zover deze niet onder het bereik van artikel 3 van Pro de Rva vallen. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 23 maart 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BW0578) voorts geoordeeld dat enkel in zeer beperkte gevallen sprake kan zijn van zeer bijzondere omstandigheden die nopen tot feitelijke opvang. Eén van die omstandigheden kan een acute medische noodsituatie betreffen.
6. In dit geval is niet gebleken van dergelijke zeer bijzondere omstandigheden. In beroep verwijst eiser voor wat betreft zijn stelling dat sprake is van dergelijke omstandigheden in algemene zin naar het dossier. Zijn stelling treft reeds hierom geen doel. Indien eiser aanvoert dat als dergelijke omstandigheden hebben te gelden het feit dat hij niet uitzetbaar is en dat hij vergeefs heeft geprobeerd Nederland te verlaten, overweegt de rechtbank dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat genoemde omstandigheden niet zodanig bijzonder zijn dat zij tot feitelijke opvang nopen.
7. Het beroep op schending van de hoorplicht slaagt evenmin, nu bij de beoordeling van verzoeken om opvang door verweerder de voornemenprocedure niet van toepassing is. De rechtbank verwijst daarbij naar de uitspraak van de Afdeling van 12 mei 2011 (zaaknummer 201010768/1/V1, ECLI:NL:RVS:2011:BQ8661). Evenmin staat bezwaar open tegen het bestreden besluit, zodat hoofdstuk 7 van de Awb, waaronder begrepen de in artikel 7:2 opgenomen Pro hoorplicht, geen toepassing vindt.
8. Het beroep is ongegrond.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.M. van Dijk-de Keuning, rechter, in aanwezigheid van mr. M.I.P. Buteijn, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 april 2018.
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.