ECLI:NL:RBDHA:2018:5434
Rechtbank Den Haag
- Wraking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing wrakingsverzoek tegen kantonrechter in loonvordering
In deze zaak heeft verzoekster een wrakingsverzoek ingediend tegen de kantonrechter die de hoofdzaak behandelde, een loonvordering. Verzoekster stelde dat de kantonrechter vooringenomen was omdat hij tijdens de zitting een definitief oordeel zou hebben gegeven over de grondslag van de vordering.
De wrakingskamer heeft het verzoek behandeld en de kantonrechter gehoord. De kantonrechter verklaarde dat hij slechts een voorlopig oordeel had gegeven, gebaseerd op het summiere en onvoldoende onderbouwde verzoekschrift van verzoekster. Ook verweerders hadden verweer gevoerd tegen de vorderingen.
De wrakingskamer overwoog dat het uitgangspunt is dat rechters onpartijdig worden vermoed, tenzij uitzonderlijke omstandigheden het tegendeel aantonen. De kantonrechter had kritische vragen gesteld en zijn visie gegeven, maar dit betrof een voorlopig oordeel. Er was geen sprake van vooringenomenheid of de schijn daarvan.
Daarom wees de wrakingskamer het wrakingsverzoek af en bepaalde dat de procedure wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek. De beslissing werd openbaar uitgesproken op 7 mei 2018.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de kantonrechter is afgewezen wegens het ontbreken van aanwijzingen voor vooringenomenheid.