ECLI:NL:RBDHA:2018:5564
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling terugvordering WW-uitkering en aanwending eigen vermogen door eiser
Eiser is door het UWV verplicht gesteld om een bedrag van €18.262,27 aan ten onrechte ontvangen WW-uitkering terug te betalen. Na diverse besluiten en bezwaarprocedures heeft het UWV bij het primaire besluit van 30 maart 2017 bepaald dat eiser zijn eigen vermogen moet gebruiken om de vordering in één keer vóór 30 mei 2017 te voldoen. Eiser betwist dit en beroept zich op het vertrouwensbeginsel en stelt dat zijn financiële situatie al jaren gelijk is en hij niet over vermogen beschikt.
De rechtbank stelt vast dat de eerdere besluiten van 8 en 18 februari 2011 in rechte vaststaan en dat eiser de vordering moet terugbetalen. Uit het inkomens- en vermogensonderzoek blijkt dat eiser naast een woning met aanzienlijke overwaarde ook spaartegoeden en waardepapieren bezit. Het UWV heeft geen toezegging gedaan dat het eigen vermogen niet zou worden aangesproken. De rechtbank oordeelt dat het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt.
Verder is vastgesteld dat de financiële situatie van eiser in 2017 verbeterd is ten opzichte van 2016, onder meer door een lagere hypotheekschuld en overwaarde op de woning. De rechtbank acht het daarom niet onredelijk dat het UWV eisers eigen vermogen inzet voor terugbetaling, met de mogelijkheid tot een betalingsregeling indien eiser niet in staat is het bedrag in één keer te voldoen.
Het beroep wordt ongegrond verklaard en er is geen aanleiding tot proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat eiser zijn eigen vermogen moet aanwenden om de terugvordering binnen twee maanden te voldoen.