ECLI:NL:RBDHA:2018:5719
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing machtiging voorlopig verblijf nareis dochter wegens onvoldoende bewijs moederschap
Eiser, met de Eritrese nationaliteit en verblijvend in Nederland op basis van een asielvergunning, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor zijn dochter in het kader van nareis. Verweerder wees dit verzoek af omdat onvoldoende was aangetoond dat de gestelde moeder daadwerkelijk de moeder van de dochter is en dat zij toestemming had gegeven voor het vertrek naar Nederland.
Eiser overhandigde verschillende documenten, waaronder een doopakte, een affidavit met ID-nummer, een toestemmingsverklaring en een kopie van de identiteitskaart van de gestelde moeder. De rechtbank achtte deze documenten echter onvoldoende, aangezien de doopakte niet door Eritrese autoriteiten was uitgegeven en de overige stukken geen bewijs leverden van het moederschap.
Hoewel verweerder meerdere keren DNA-onderzoek aanbood, kon dit niet in Eritrea plaatsvinden en moest de moeder naar een Nederlandse ambassade in Soedan of Ethiopië reizen. Eiser stelde dat de moeder alleen naar het consulaat in Asmara kon reizen, maar dit werd onvoldoende onderbouwd.
De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht afzag van het horen van eiser in bezwaar, omdat het bezwaar geen nieuwe stukken bevatte die de familierechtelijke band konden aantonen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende bewijs van het moederschap en toestemming van de moeder.