Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
1.Het onderzoek ter terechtzitting
2.De tenlastelegging
3.Bewijsoverwegingen
zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend. Op grond van jurisprudentie van de Hoge Raad kan in de onderhavige zaak niet worden gesproken van roekeloosheid. Volgens de verdediging kan dit vooral uit de feitelijke toedracht worden afgeleid. Er is geen sprake geweest van een straatrace tussen de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] . Er is niets bekend over eventuele (al dan niet stilzwijgende) afspraken, verbaal of non-verbaal tussen de verdachte en de medeverdachte. Zij hebben wel beiden hard gereden, maar daarmee is nog geen sprake van een straatrace in de zin van art. 10 WVW Pro 1994. Dat de verdachte (veel) te hard heeft gereden staat vast. Dit is echter de enige verkeersovertreding die hij heeft begaan. Zelfs al zou sprake zijn geweest van een wedstrijdmatig karakter, dan nog kan niet worden gesproken van roekeloosheid, gelet op het geheel van de gedragingen. De verdachte heeft te hard gereden over een afstand van 650 meter. Ook de externe omstandigheden spelen een rol, namelijk dat het slachtoffer een onverwachte en onvoorzienbare handeling verrichte door halverwege om te keren met zijn fiets. De verdachte is zich niet bewust geweest van de mogelijkheid van die handeling. De verdachte dient derhalve partieel te worden vrijgesproken van het strafverzwarende onderdeel roekeloosheid.
4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
5.De strafbaarheid van de verdachte
6.De strafoplegging
7.Het inbeslaggenomen voorwerp
8.De toepasselijke wetsartikelen
9.De beslissing
groot 3 maanden, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;