5.5.Nu uit het voorgaande volgt dat eiser in aanraking is gekomen met chroom VI houdende stoffen, hij een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel kan doen gelet op de duur en frequentie van de blootstelling, en hij een ziekte heeft die wordt genoemd in bijlage 2 van de Coulanceregeling, ziet de rechtbank aanleiding zelf in de zaak te voorzien.
De rechtbank bepaalt dat eiser in aanmerking komt voor een vergoeding van € 5.000,-. De aandoening van eiser, allergisch contacteczeem, valt onder categorie 2 uit bijlage 2 van de Coulanceregeling. Op grond van artikel 2.4 van de Coulanceregeling, bedraagt de tegemoetkoming in dit geval het daaraan gekoppelde bedrag van € 5.000,-.
6. Eiser heeft verzocht om vergoeding van de proceskosten in beroep, bestaande uit de kosten van door een derde verleende rechtsbijstand, de reis- en verblijfkosten van in totaal € 498,56 en verletkosten van € 692,30.
De rechtbank ziet aanleiding om met toepassing van het bepaalde in artikel 8:75a van de Awb verweerder te veroordelen in de proceskosten die eiser in verband met het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1002,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1).
Gelet op artikel 1, onder c, van het Bpb komen de reis- en verblijfkosten voor vergoeding in aanmerking. Eiser heeft zijn reiskosten begroot op € 386,96, zijnde twee maal 691 kilometer à € 0,28 per kilometer. Zijn verblijfkosten heeft eiser begroot op € 111,20, zijnde twee hotelovernachtingen van € 65,80. De rechtbank is van oordeel dat eisers reiskosten in overeenstemming zijn met de vergoeding die op grond van het Bpb kan worden verleend en veroordeelt verweerder in deze kosten. Ten aanzien van de verblijfkosten overweegt de rechtbank dat deze op grond van artikel 1, onder c, van het Bpb, in samenhang met artikel 11, eerste lid, onderdeel d, van het Besluit tarieven in strafzaken 2003, niet hoger kunnen zijn dan € 37,85 per dag. Nu naar het oordeel van de rechtbank één overnachting, gelet op de afstand tussen eisers woonplaats en de rechtbank, noodzakelijk was, zal de rechtbank verweerder veroordelen tot vergoeding van de verblijfkosten tot een bedrag van € 37,85.
Eiser heeft tevens verzocht om vergoeding van € 692,30 aan verletkosten in verband met het bijwonen van de zitting (3 dagen). De rechtbank overweegt dat eiser dit bedrag heeft onderbouwd middels een verwijzing naar een recente loonstrook. De rechtbank stelt het bedrag aan verletkosten vast op € 461,52, zijnde twee verlofdagen, tot betaling van welke kosten verweerder zal worden veroordeeld. Naar het oordeel van de rechtbank was het opnemen van twee verlofdagen voldoende om de zitting te kunnen bijwonen.
Het totale bedrag van de voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten bedraagt € 1.888,33 (€ 1002,- + € 386,96 + € 37,85 + € 461,52).
7. Verweerder dient ook het door eiser betaalde griffierecht van € 168,- te vergoeden.