ECLI:NL:RBDHA:2018:6755

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 juni 2018
Publicatiedatum
8 juni 2018
Zaaknummer
AWB - 18 _ 3537
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:4 AwbArt. 8:86 AwbArt. 31 Eindexamenbesluit VO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling en zorgvuldigheid bij toekenning praktijkexamen cijfer Muziek

Eiser maakte bezwaar tegen het cijfer 4 dat hij voor zijn praktijkexamen Muziek kreeg, dat 80% van zijn schoolexamencijfer bepaalt. Na afwijzing van bezwaar door de rector en ongegrondverklaring door de Beroepscommissie Examens, stelde eiser beroep in bij de rechtbank en verzocht om een voorlopige voorziening.

De rechtbank overwoog dat zij niet bevoegd is om de inhoudelijke beoordeling van het examen te toetsen, maar wel de zorgvuldigheid van de besluitvorming. Het examenreglement en het Programma van Toetsing en Afsluiting (PTA) waren vastgesteld en aan eiser bekend. De beoordelingscriteria waren vooraf duidelijk gemaakt en de beoordeling door muziekdocenten was zorgvuldig en onderbouwd, inclusief een onafhankelijke toetsing.

De rechtbank concludeerde dat de besluitvorming niet onzorgvuldig was en dat het beroep ongegrond is. Het verzoek om voorlopige voorziening werd daarom afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen het cijfer 4 voor het praktijkexamen Muziek is ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummers: SGR AWB 18/3554 en 18/3537
uitspraak van de voorzieningenrechter van 8 juni 2018 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[eiser], te [plaats], eiser

en
het College van Bestuur van de Stichting Voortgezet Onderwijs Haaglanden, verweerder
(gemachtigde: mr. S. Kruithof).

Procesverloop

Op 25 januari 2018 heeft de examencommissie eiser het cijfer 4 toegekend voor het door hem op die datum afgelegde praktijkexamen Muziek, dat voor 80% het schoolexamencijfer voor het vak Kunst Muziek bepaalt.
Hiertegen heeft eiser bezwaar gemaakt bij de rector.
Bij besluit van 16 april 2018 heeft de rector het bezwaar van eiser afgewezen.
Eiser heeft hiertegen op 17 april 2018 beroep ingesteld bij de Beroepscommissie Examens VO Haaglanden.
De Beroepscommissie heeft het beroep ongegrond verklaard en besloten de uitslag van het schoolexamen Muziek te handhaven.
Tegen laatstgenoemd besluit heeft eiser beroep ingediend bij de rechtbank.
Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 juni 2018. Eiser is daarbij vertegenwoordigd door zijn ouders, [persoon 1] en [persoon 2]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter doet – zoals met partijen ter zitting overeengekomen - op grond van artikel 8:86 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep.
2 Eiser voert aan dat er geen objectieve beoordelingscriteria bestaan voor het vak Muziek, zodat de inhoudelijke beoordeling en het daaruit voortgekomen cijfer niet onderbouwd zijn en niet toetsbaar. Het beoordelingsproces is zonder toetsbare criteria niet transparant. Dit leidt tot willekeur. De presentatie van eiser heeft voorts geleden onder externe omstandigheden, zoals een verkeerd afgestemde piano en problemen met de groepssamenwerking.
3 Verweerder stelt zich primair op het standpunt dat de rechtbank niet bevoegd is van het beroep kennis te nemen. Subsidiair stelt verweerder zich op het standpunt dat verweerder op zorgvuldige wijze tot de beoordeling van het praktijkexamen als onderdeel van het schoolexamen voor het vak Kunst Muziek is gekomen.
4.1
Ten aanzien van de bevoegdheid overweegt de voorzieningenrechter allereerst het volgende.
4.2
Ingevolge artikel 8:4, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan geen beroep kan worden ingesteld tegen een besluit inhoudende een beoordeling van het kennen of kunnen van een kandidaat of leerling die ter zake is geëxamineerd of op enigerlei andere wijze is getoetst, dan wel inhoudende de vaststelling van opgaven, beoordelingsnormen of nadere regels voor die examinering of toetsing.
4.3
De toetsing door de bestuursrechter kan derhalve niet rechtstreeks betrekking hebben op de inhoud van een afgelegde proeve van bekwaamheid. Vorengenoemde bepaling staat eraan in de weg, dat door het instellen van beroep een oordeel van de bestuursrechter wordt verkregen over een besluit dat als zodanig van de bestuursrechtelijke rechtsbescherming is uitgezonderd. Dit betekent niet dat tegen het bestreden besluit in het geheel geen beroep mogelijk is, maar dat de omvang en aard van de toetsing door de bestuursrechter zodanig beperkt is dat slechts kan worden beoordeeld of met betrekking tot de besluitvorming aan de formele bij of krachtens de wet gestelde voorwaarden is voldaan. De voorzieningenrechter verwijst in dit verband naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 13 mei 2009 (ECLI:NL:RVS:2009:BI3675) en van 13 juli 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:2675).
4.4
Gelet hierop zal de voorzieningenrechter niet ingaan op de vraag of verweerder al dan niet terecht het aan eiser toegekende cijfer 4 heeft gehandhaafd, doch kan zij slechts bezien of de besluitvorming zorgvuldig tot stand is gekomen.
4.5
Voorzover eiser betoogt dat de beoordelingscriteria niet inzichtelijk zijn overweegt de voorzieningenrechter als volgt.
4.6
De voorzieningenrechter stelt vast dat niet in geschil is dat het bevoegd gezag zoals is voorgeschreven in artikel 31 van Pro het Eindexamenbesluit VO een examenreglement en een Programma van Toetsing en Afsluiting (PTA) heeft vastgesteld. Het PTA beschrijft de gang van zaken voor het schoolexamen en per vak staat beschreven op welk moment aan welke eisen moet worden voldaan. In het PTA is op pagina 35 voor Kunst Muziek beschreven op basis van welke onderdelen het schoolexamencijfer voor Kunst Muziek wordt gebaseerd. Niet in geschil is dat aan eiser een exemplaar hiervan is uitgereikt. Voorts heeft eiser niet bestreden dat vanaf 5 VWO door de docent aan de leerlingen duidelijk is gemaakt wat het praktijkexamen inhield en wat van hem werd verwacht en dat hij beoordeeld zou worden op techniek, instrumentbeheersing, compositie, performance en organisatie. Dit beoordelingskader is ook terug te vinden in het document in het dossier als bijlage 3 van de stukken overgelegd door verweerder. Voorts overweegt de voorzieningenrechter dat uit de stukken is gebleken dat het eiser voor het finale examen reeds duidelijk is gemaakt dat zijn bijdrage moest worden verbeterd. Op 18 januari 2018 moesten de leerlingen immers een opname inleveren (een zogenaamde ‘generale’) waarna een ‘go’ of ‘no go’ zou worden gegeven voor het praktijkexamen op 25 januari 2018. Eiser heeft niet alleen de opname een dag te laat ingeleverd, eiser kreeg op grond van deze opname een ‘no go’. Niet gebleken is dat eiser zich voor en tussen 18 en 25 januari 2018 tot de muziekdocent heeft gewend voor nadere uitleg of advies.
De examinatoren (een tweetal muziekdocenten) hebben het praktijkexamen op 25 januari 2018 vervolgens onvoldoende (4) bevonden. Het ontbreken van een schriftelijk beoordelingsschema van deze beoordeling maakt niet dat er sprake is van onzorgvuldigheid. Een derde – door de Beroepscommissie Examens VO Haaglanden geraadpleegde onafhankelijk docent muziek heeft de opname eveneens als onvoldoende (4) beoordeeld en zijn beoordeling schriftelijk gemotiveerd.
4.6
De voorzieningenrechter is gezien het vorenstaande van oordeel dat er geen reden is te oordelen dat de besluitvorming rondom de waardering van het examen onzorgvuldig is geweest. Voorts is de voorzienigenrechter van oordeel dat het besluit van de Beroepscommissie Examens VO Haaglanden zorgvuldig tot stand is gekomen nu op verzoek van deze commissie een muziekdocent de uitvoering van eiser nader heeft beoordeeld.
5 Het beroep is ongegrond.
6 Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.
7 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Ghrib, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.G. Egter van Wissekerke, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juni 2018.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan voor zover daarbij is beslist op het beroep binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.