ECLI:NL:RBDHA:2018:7332
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet-ontvankelijkheid opvolgende asielaanvraag wegens onvoldoende nieuwe geloofsverdieping
Eiser, een Iraanse nationaliteit bezittende vreemdeling, heeft een opvolgende asielaanvraag ingediend met het argument dat zijn bekering tot het christendom en geloofsverdieping nu wel geloofwaardig is. Verweerder heeft deze aanvraag niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat geen relevante nieuwe elementen zijn aangevoerd.
De rechtbank overweegt dat volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een vreemdeling bij een opvolgende aanvraag inzicht moet geven in de motieven en het proces van bekering, vooral indien hij verklaart dat het bekeringsproces is voortgezet. Eiser heeft weliswaar verklaard dat gebed belangrijker is geworden en dat hij enkele positieve gebeurtenissen toeschrijft aan zijn geloof, maar heeft onvoldoende inzicht gegeven in de beweegredenen voor zijn bekering.
Ook de door eiser aangevoerde karakterveranderingen worden niet als relevante nieuwe bevindingen gezien, omdat deze niet verklaren waarom hij tot het christendom is gekomen. De rechtbank wijst voorts het argument af dat afvalligheid van de islam automatisch leidt tot een geloofwaardige bekering. Daarnaast is onvoldoende aannemelijk gemaakt dat eiser bij terugkeer in Iran vervolging of ernstige schade te vrezen heeft.
De stelling dat eiser vanwege langdurig verblijf in het buitenland in negatieve belangstelling van Iraanse autoriteiten staat, wordt niet onderbouwd met voldoende bewijs. De rechtbank concludeert dat eiser geen nieuwe relevante elementen heeft aangevoerd en verklaart het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de opvolgende asielaanvraag wordt ongegrond verklaard.