ECLI:NL:RBDHA:2018:7394

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 juni 2018
Publicatiedatum
21 juni 2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 14471
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14 Vreemdelingenwet 2000Art. 6:5 AwbArt. 6:6 AwbArt. 85 Vreemdelingenwet 2000Paragraaf B6/2.5 Vreemdelingencirculaire
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verlenging verblijfsvergunning wegens onvoldoende aanzienlijk kapitaal

Eiser, een Amerikaans staatsburger, vroeg om verlenging van zijn verblijfsvergunning op grond van het Nederlands-Amerikaans vriendschapsverdrag. Verweerder wees dit af omdat het in de onderneming geïnvesteerde kapitaal niet voldeed aan het vereiste minimum van €4.500, waarbij geleend kapitaal niet meetelt.

Eiser voerde aan dat een gecorrigeerde jaarrekening en aanvullende stukken, waaronder een brief van zijn accountant en een dollarrekening in de VS, aantoonden dat het eigen vermogen hoger was dan aanvankelijk vastgesteld. De rechtbank achtte deze stukken onvoldoende onderbouwd en niet overtuigend, mede omdat het niet duidelijk was of het geld op de dollarrekening daadwerkelijk tot het in Nederland geïnvesteerde kapitaal behoorde.

De rechtbank concludeerde dat verweerder het bezwaar terecht kennelijk ongegrond heeft verklaard en dat het beroep ongegrond is. Ook het verzoek om een voorlopige voorziening om uitzetting te voorkomen werd afgewezen omdat de rechtbank inmiddels op het beroep had beslist.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de verlenging van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummers: AWB 17/14471 (beroep)
AWB 17/14472 (voorlopige voorziening)
[V-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter van 1 juni 2018 in de zaak tussen

[naam] ,

geboren op [geboortedatum] 1969, Amerikaans burger, eiser en verzoeker, hierna te noemen: eiser
(gemachtigde: mr. B.D. Lit),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. M. Talsma).

Procesverloop

Met het besluit van 9 maart 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser van 3 oktober 2016 om verlenging van de geldigheidsduur van zijn verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van Pro de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 onder de beperking “arbeid als zelfstandige op grond van het Nederlands-Amerikaans vriendschapsverdrag” afgewezen. Verweerder heeft eiser ook aangezegd Nederland binnen 28 dagen te verlaten. Verweerder heeft het daartegen gemaakte bezwaar met het besluit van 6 september 2017 (het bestreden besluit) kennelijk ongegrond verklaard.
Op 15 september 2017 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiser ontvangen. Met de brief van dezelfde datum is verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting te verbieden totdat op het beroep is beslist. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 16 maart 2018. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: rechtbank) heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Overwegingen

Ten aanzien van het beroep
Onderwerp van de procedure
1.1.
Eiser is eigenaar van [geboortedatum] ’. Sinds 27 september 2007 is eiser is in het bezit van een verblijfsvergunning op grond van het Nederlands-Amerikaans vriendschapsverdrag, laatstelijk geldig tot 13 augustus 2016.
1.2.
Verweerder heeft de aanvraag om verlenging van de verblijfsvergunning afgewezen, omdat eiser het in zijn Nederlandse onderneming geïnvesteerde aanzienlijk kapitaal niet op het vereiste minimumpeil van € 4.500,- heeft gehouden. Uit de door eiser overgelegde jaarrekeningen over 2015 en 2016 blijkt dat het in de onderneming geïnvesteerde eigen vermogen op 1 januari 2015 € 107,- bedroeg, op 1 januari 2016 € 9.334,- en op 31 december 2016 € 3.189,-. Eiser voldoet daarom volgens verweerder niet aan de voorwaarden voor de verblijfsvergunning. [1]
2. Eiser betwist dat niet wordt voldaan aan de eis van aanzienlijk kapitaal. Eiser voert aan dat hij in bezwaar een gecorrigeerde jaarrekening 2016 heeft overgelegd, waaruit blijkt dat zijn eigen vermogen op 31 december 2016 € 21.800,- is. Ter verklaring van het verschil tussen de twee versies van de jaarrekening heeft eiser in bezwaar een brief van zijn accountant overgelegd, waarin deze toelicht dat eerder bij het eigen vermogen van eiser geen rekening is gehouden met de buitenlandse dollar rekening in de Verenigde Staten. Tegen deze achtergrond had verweerder volgens eiser het bezwaar niet kennelijk ongegrond kunnen verklaren. Eiser heeft in beroep ter onderbouwing van het aanzienlijk kapitaal een rekeningoverzicht van de genoemde dollarrekening en een aangifte inkomstenbelasting 2016 overgelegd.
Beoordeling door de rechtbank
3.1.
De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden voor de verblijfsvergunning, omdat het aanzienlijk kapitaal minder is dan het vereiste minimum van € 4.500,-. Bij het aanzienlijk kapitaal gaat het om het in de onderneming geïnvesteerd kapitaal, waarbij geleend kapitaal niet meetelt. Om te bepalen of dit op peil is gehouden moet worden gekeken naar het eigen vermogen op de balans en de winst- en verliesrekening. Verweerder heeft eiser verzocht inzichtelijk te maken hoe het kan dat het eigen vermogen op 31 december 2016 met terugwerkende kracht van € 3.189,- naar € 21.800 is gegaan en dit te onderbouwen met bewijsstukken en een kopie van de aangifte van 2016. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat het niet duidelijk is hoe het eigen vermogen op de gecorrigeerde jaarrekening € 21.800,- kan zijn. Aan de door eiser overgelegde ongedateerde, niet getekende brief, die van zijn accountant zou zijn, kan naar het oordeel van de rechtbank niet de waarde worden toegekend die eiser daaraan hecht, omdat niet duidelijk is om welke dollarrekening het gaat en niet is vast komen te staan dat het daarbij gaat om in de onderneming geïnvesteerd kapitaal.
3.2.
Gelet op het bovenstaande heeft verweerder het bezwaar kennelijk ongegrond kunnen verklaren. De omstandigheid dat niet op voorhand valt uit te sluiten dat de vreemdeling tijdens een hoorzitting, al dan niet aan de hand van nader bewijs, alsnog nieuwe gezichtspunten zal aanvoeren, leidt niet tot een ander oordeel, omdat verweerder de beslissing om van horen af te zien dient te nemen op grond van hetgeen in het bezwaarschrift is aangevoerd. [2]
3.3.
De rechtbank stelt voorts vast dat eiser, nadat verweerder het bestreden besluit heeft genomen, een kopie van een afschrift van de dollarrekening heeft overgelegd. Vanwege de ex-tunc toets in beroep kan dit niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Daarnaast overweegt de rechtbank dat de dollarrekening mede op naam staat van [de persoon] . Op de zitting heeft de gemachtigde van eiser verklaard dat dit eisers vader is. Het is de rechtbank daarom niet duidelijk of en in welke mate het geld op deze rekening aan eiser toebehoort. Daarnaast heeft eiser hiermee niet aangetoond dat dit geld in zijn bedrijf in Nederland is geïnvesteerd.
3.4.
Gezien het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder de aanvraag in redelijkheid heeft kunnen afwijzen.
Conclusie
4. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening
5. De gevraagde voorziening strekt er toe de uitzetting te verbieden totdat is beslist op het beroep. In het onderhavige geval is er geen aanleiding tot het treffen van de gevraagde voorziening, gelet op het feit dat de rechtbank heden op het beroep heeft beslist.
Ten aanzien van het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank,
in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 17/14471,
- verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter,
in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 17/14472,
- wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.D. Belcheva, rechter, tevens voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E.H. Kalse-Spoon, griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 juni 2018.
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Conc.: EKS
D:
VK
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van Pro de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van Pro de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.
BIJLAGE
Verdrag van vriendschap, handel en scheepvaart tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika van 27 maart 1956
Artikel II, lid 1, onder b:
1. Het zal onderdanen van de ene Partij zijn geoorloofd, het grondgebied van de andere Partij te betreden en daarbinnen te verblijven:
(…)
(b)ten einde de bedrijfsuitoefening van een onderneming waarin zij een aanzienlijk kapitaal hebben belegd of waarin zij daadwerkelijk bezig zijn zulks te doen, te ontwikkelen en te leiden;

Paragraaf B6/2.5 van de Vreemdelingencirculaire

De IND verstaat onder ‘aanzienlijk kapitaal’ in de hierna genoemde situaties het volgende:
Eenmanszaak: een kapitaal waarmee de ondernemer zelfstandig de onderneming kan exploiteren. De IND beoordeelt de hoogte van het kapitaal per situatie, maar houdt als minimum een kapitaal van € 4.500 aan.
De IND telt geleend kapitaal niet mee als onderdeel van het ‘aanzienlijk kapitaal’.

Voetnoten

1.Voor het wettelijk kader: zie de bijlage bij deze uitspraak.
2.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 25 april 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1233).