In deze bestuursrechtelijke zaak heeft het college van burgemeester en wethouders van Leiden een dwangsom opgelegd aan eiser vanwege strijdig gebruik van een pand. Eiser stelde beroep in tegen besluiten van het college, maar betaalde het griffierecht niet tijdig. De rechtbank onderzoekt in deze tussenbeslissing uitsluitend de vraag of de te late betaling van het griffierecht verschoonbaar is.
Eiser diende het beroepschrift tijdig in, maar ontving een betalingsherinnering die onbestelbaar werd geretourneerd. De griffier stuurde daarop een kopie van de herinnering per gewone post. De rechtbank constateerde dat het griffierecht niet was voldaan en stelde de behandeling van het beroep uit totdat betaling zou plaatsvinden. Eiser betaalde het griffierecht voorafgaand aan de zitting.
De rechtbank stelt vast dat de griffier niet heeft gehandeld conform artikel 8:38, eerste lid, Awb, omdat niet is gecontroleerd of het adres van eiser overeenkwam met de basisregistratie persoonsgegevens. Hierdoor is de te late betaling verschoonbaar. De rechtbank verklaart het beroep ontvankelijk, heropent het onderzoek en bepaalt dat de behandeling wordt voortgezet op een nader te bepalen datum.