Uitspraak
[klager] ,
op de Bezuidenhoutseweg 161, 2594 AG te Den Haag,
Rechtbank Den Haag
Op 11 juni 2016 werd een geldbedrag van € 1.487,20 op klager in beslag genomen op grond van artikel 94 Sv Pro. Op 19 oktober 2017 betaalde de politie dit bedrag aan de Belastingdienst, die het in mindering bracht op een belastingschuld van klager. Klager diende een klaagschrift in met het verzoek tot teruggave van het bedrag, stellende dat het beslag niet rechtsgeldig was beëindigd door de betaling.
De rechtbank oordeelde dat artikel 134, tweede lid Sv een limitatieve opsomming geeft van manieren waarop beslag juridisch eindigt. Het feit dat het geld niet meer feitelijk wordt bewaard, betekent niet dat het beslag juridisch is beëindigd. Omdat niet was voldaan aan de voorwaarden voor verrekening, met name het ontbreken van een betekend dwangbevel, was de betaling aan de Belastingdienst onrechtmatig.
Verder stelde de rechtbank vast dat het strafvorderlijk belang bij het beslag was komen te vervallen door de betaling aan de Belastingdienst en het ontbreken van verdere argumenten van het Openbaar Ministerie. Daarom werd het klaagschrift gegrond verklaard en gelast de rechtbank de teruggave van het geldbedrag aan klager.
Uitkomst: Het beslag op het geldbedrag is niet geëindigd door betaling aan de Belastingdienst zonder dwangbevel, en het bedrag moet aan klager worden teruggegeven.