ECLI:NL:RBDHA:2018:8070
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening
Eiser, een Marokkaanse asielzoeker geboren in 1995, heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling te nemen. Dit besluit is genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, in samenhang met de Dublinverordening (EU) nr. 604/2013, omdat Nederland heeft vastgesteld dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag en het verzoek om terugname door Duitsland is aanvaard.
Eiser stelde dat hij onzorgvuldig is gehoord tijdens het aanmeldgehoor, dat hij geen mogelijkheid had om het gehoor met een advocaat te bespreken, dat het besluit niet op een juiste feitelijke grondslag berust en dat de motivering van de Staatssecretaris onvoldoende is, met name ten aanzien van de toepassing van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. De rechtbank overweegt dat de Staatssecretaris wel degelijk op de zienswijze is ingegaan en dat eiser zijn bezwaren onvoldoende heeft geconcretiseerd.
De rechtbank concludeert dat de beroepsgronden niet slagen en verklaart het beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen wordt ongegrond verklaard.