ECLI:NL:RBDHA:2018:8100

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 juni 2018
Publicatiedatum
9 juli 2018
Zaaknummer
17.12607
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:46 AwbArt. 31 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit afwijzing verblijfsvergunning wegens onvoldoende gemotiveerde beoordeling afvalligheid

Eiser, van Afghaanse nationaliteit, diende zijn derde asielaanvraag in met als grond dat hij vanwege afvalligheid van de islam en een ontvoering in Afghanistan gevaar liep. Verweerder wees de aanvraag af wegens ongeloofwaardigheid van de afvalligheid en de ontvoering.

De rechtbank oordeelt dat verweerder het toetsingskader voor de beoordeling van afvalligheid onvoldoende heeft gemotiveerd en onduidelijk heeft toegepast. Verweerder gebruikte het toetsingskader voor bekeringen, maar lichtte niet toe waarom dit ook passend is voor afvalligheid. Tevens is niet gebleken dat verweerder heeft beoordeeld in welke verschijningsvorm de afvalligheid zich voordoet.

De rechtbank stelt vast dat verweerder niet heeft gehandeld conform de vaste gedragslijn uit eerdere jurisprudentie en dat de verklaringen waarop verweerder zich baseert, slechts uit het eerste gehoor en aanmeldgehoor komen, die hiervoor niet bedoeld zijn. Hierdoor is onvoldoende onderbouwd dat de afvalligheid ongeloofwaardig is.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt verweerder op een nieuwe beslissing te nemen met inachtneming van deze overwegingen. Tevens veroordeelt de rechtbank verweerder in de proceskosten van eiser.

Uitkomst: Het besluit tot afwijzing van de asielaanvraag wordt vernietigd wegens onvoldoende gemotiveerde beoordeling van de geloofwaardigheid van de afvalligheid.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL17.12607

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

(gemachtigde: mr. U.H. Hansma),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, als rechtsopvolger van de Minister van Veiligheid en Justitie, verweerder.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 juni 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen de heer W.M. Mamik. Verweerder is met voorafgaande kennisgeving niet verschenen.

Overwegingen

1. Eiser is van Afghaanse nationaliteit. Hij is geboren op [geboortedatum].
2. Onderhavige aanvraag is de derde asielaanvraag van eiser. Een eerder besluit in deze procedure is vernietigd bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem van
21 april 2017, NL17.1346.
3. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij op 15 december 2011 vanuit Nederland is teruggekeerd naar Afghanistan. Daar werkte hij in een passage waar winkels waren gevestigd. Hij gaf geen gehoor aan de oproep tot het gebed en vroeg zich hardop af waarom moslims mensen vermoorden. Eiser heeft verder verklaard dat deze uitingen mogelijk zijn opgevangen door een klant die een aantal keren in zijn winkel is geweest.
Eiser heeft voorts verklaard dat hij in juli 2013 is ontvoerd door mannen en veertien dagen door deze mannen is vastgehouden.
Eiser heeft verklaard dat hij werd beschuldigd van afvalligheid en dat deze mannen dreigden hem te doden. Door de ontvoerders is een filmpje gemaakt dat aan eisers vader is gegeven. Tijdens de ontvoering heeft eiser een droom gehad dat hij door iemand werd aangeraakt. Zijn vader heeft $ 60.000 losgeld betaald en uit genade is hij door de ontvoerders vrijgelaten. Eiser heeft verder verklaard dat zijn vader aangifte heeft gedaan bij de politie tegen de ontvoerders.
Voorts heeft eiser verklaard dat hij noodgedwongen is gevlucht naar Iran alwaar hij heeft verbleven tot juli 2015. In Nederland heeft eiser een aantal keren een kerk bezocht, maar hij heeft eveneens verklaard niet bekeerd te zijn tot het christendom.
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:
- identiteit, nationaliteit en herkomst;
- terugkeer uit Europa naar Afghanistan;
- afvalligheid;
- ontvoering.
5. Verweerder heeft zich hierover op het standpunt gesteld dat eisers gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig worden geacht.
Eiser wordt niet gevolgd in zijn verklaring dat hij door zijn komst naar Europa en daaropvolgende terugkeer naar Afghanistan (in december 2011) in een kwader daglicht is komen te staan. De rechtbank stelt vast, ook naar aanleiding van het verhandelde ter zitting, dat dit element geen zelfstandige betekenis heeft maar verbonden is met het relevante element afvalligheid en in dat kader moet worden gezien.
Voorts heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de verklaringen van eiser over zijn afvalligheid en de ontvoering - vanwege zijn afvalligheid - niet geloofwaardig zijn. Verweerder concludeert daarom dat de asielaanvraag ongegrond is.
6. Met betrekking tot het relevante element afvalligheid heeft eiser in beroep in de eerste plaats aangevoerd dat het door verweerder gehanteerde toetsingskader niet duidelijk is en dat uit de vraagstelling en beoordeling niet blijkt dat het gesteld gehanteerde toetsingskader - dat plaatsvindt volgens een vast stramien met een vaste vragenlijst en vaste kernpunten - inderdaad is gehanteerd, en bovendien is dit volgens eiser niet het juiste toetsingskader. Afvalligheid en bekering zijn niet hetzelfde en het toetsingskader wat geldt voor bekering kan niet één op één op afvalligheid worden geplakt.
Eiser heeft onder meer gewezen op de vragen die de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) op 16 november 2017 heeft gesteld aan verweerder in de zaak met kenmerk 201608590/1/V2. Eiser heeft betoogd dat verweerder had moeten beoordelen in welke categorie afvalligheid eiser valt.
Voorts heeft eiser betoogd dat hij na de vernietiging van het eerste besluit in deze procedure, ten onrechte niet opnieuw is gehoord.
Naar het oordeel van de rechtbank slaagt deze beroepsgrond. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Naar aanleiding van voornoemde uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, heeft verweerder in zijn nieuwe besluitvorming eisers gestelde afvalligheid van de islam als zelfstandig element op geloofwaardigheid beoordeeld, echter zonder eiser opnieuw te horen.
Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat bij de beoordeling van afvalligheid hetzelfde toetsingskader als bij een bekering van toepassing is, maar dan in aangepaste vorm.
In dat kader heeft verweerder echter enerzijds opgemerkt dat slechts het
procesvan afvalligheid en de
problemendie eiser als gevolg daarvan zou hebben ondervonden zijn getoetst terwijl anderzijds door verweerder is opgemerkt dat bijzondere waarde wordt gehecht aan de verklaringen over de
motievenvoor en het
procesvan
bekering. Hiermee is het door verweerder voorgestane toetsingskader niet duidelijk.
Evenmin blijkt uit de vraagstelling en de beoordeling dat - of in hoeverre - het toetsingskader zoals dat geldt voor de beoordeling van de geloofwaardigheid in bekeringszaken inderdaad door verweerder is gehanteerd, met name blijkt hieruit niet dat de vaste gedragslijn, zoals neergelegd in de Afdelingsuitspraak van 24 mei 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:CA0955) is gevolgd. Daarbij acht de rechtbank van belang dat verweerder blijkens het voornemen de afvalligheid (reeds) niet geloofwaardig heeft geacht vanwege eisers verklaringen over het proces daarvan. De door verweerder aangehaalde verklaringen in dat kader zijn echter alleen afkomstig uit het eerste gehoor en het aanmeldgehoor. Met eiser is de rechtbank van oordeel dat uit deze gehoren niet blijkt dat verweerder voornoemde vaste gedragslijn heeft gevolgd, nog los van de omstandigheid dat deze gehoren hiervoor niet zijn bedoeld.
Verweerder heeft in zijn verweerschrift noch ter zitting toegelicht waaruit specifiek blijkt, in de gehoren en de besluitvorming, dat deze vaste gedragslijn wel is gevolgd, en in hoeverre. Ook is door verweerder niet nader toegelicht waarom het toetsingskader dat geldt voor bekeringen - in aangepaste vorm - ook voldoet om te beoordelen of sprake is van afvalligheid.
Hierbij acht de rechtbank voorts van belang dat niet is gebleken dat verweerder heeft beoordeeld in welke verschijningsvorm de door eiser gestelde afvalligheid zich voordoet. Niet is gebleken dat verweerder heeft gehandeld conform de antwoorden op de vragen die door de Afdeling zijn gesteld op 16 november 2017 (bijlage 1 bij het verweerschrift van
1 juni 2018). Hierin geeft verweerder aan dat afvalligheid zich in diverse verschijningsvormen kan voordoen: een voormalig aanhanger van de islam die atheïst wordt, is per definitie tevens een afvallige. Een afvallige is echter niet per definitie een atheïst. De afvalligheid kan immers ook bestaan uit het belijden van een andere - niet geaccepteerde - stroming van de islam, het hebben van (wellicht zeer persoonlijke) overtuigingen die op punten afwijken van de leerstellingen van de islam, dan wel een bekering tot een volstrekt ander geloof. Afvalligheid is eveneens aan de orde ingeval sprake is van het verliezen van een overtuiging dan wel het niet (langer) hechten aan het islamitische geloof, terwijl geen sprake is van een in de plaats daarvoor komende nieuwe overtuiging.
Gelet op het vorenstaande heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd dat eisers gestelde afvalligheid ongeloofwaardig is.
7. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen en het beroep gegrond verklaren wegens strijd met artikel 3:46 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Verweerder dient opnieuw op de aanvraag van eiser te beslissen, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. De rechtbank komt niet toe aan bespreking van de overige beroepsgronden.
8. De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van de zaak redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten worden op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht bepaald op € 1.002,-- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt € 501,--; wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit en draagt verweerder op een nieuwe beslissing te nemen op de aanvraag, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1002,--.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W.M. Bunt, rechter, in aanwezigheid van
mr. W. Markwat, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 juni 2018.
griffier
rechter
Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel