De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van een imam tegen de verlenging van een gebiedsverbod opgelegd door de minister van Justitie en Veiligheid op grond van de Tijdelijke wet bestuurlijke maatregelen terrorismebestrijding (Twbmt). Het gebiedsverbod was oorspronkelijk opgelegd op 15 augustus 2017 en verlengd met zes maanden tot 15 augustus 2018.
De rechtbank constateerde dat eiser geen nieuwe beroepsgronden tegen de verlenging had aangevoerd, maar slechts de eerdere gronden herhaalde die reeds door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waren afgewezen. De rechtbank nam kennis van de bestuurlijke rapportages waarop het besluit was gebaseerd en oordeelde dat deze voldoende inzichtelijk en accuraat waren.
De rechtbank stelde vast dat de gedragingen en uitlatingen van eiser, waaronder het verspreiden van jihadistisch gedachtegoed via preken, lezingen en socialmediaberichten, ongewijzigd waren en de noodzaak van het gebiedsverbod rechtvaardigden. Ook waren er aanwijzingen van banden met radicale islamitische personen en activiteiten die een gevaar voor de nationale veiligheid vormden.
Gelet op deze feiten en de wettelijke kaders van de Twbmt verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en bevestigde de verlenging van het gebiedsverbod als noodzakelijk en proportioneel voor de bescherming van de nationale veiligheid.