ECLI:NL:RBDHA:2018:8324
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag wegens onvoldoende bewijs van lidmaatschap Gülenbeweging en risico op vervolging
Eiser, een Turkse nationaliteit dragende man geboren in 1996, verzocht om een verblijfsvergunning asiel op grond van vermeende vervolging vanwege vermeende aanhang van de Gülenbeweging. Hij stelde dat hij vanwege zijn contacten en studie aan een aan de Gülenbeweging verbonden instelling en de arrestatie van vrienden een reëel risico liep op vervolging en ernstige schade.
De staatssecretaris wees de aanvraag af omdat niet aannemelijk was gemaakt dat eiser daadwerkelijk een aanhanger was of door de Turkse autoriteiten als zodanig werd beschouwd. De rechtbank bevestigde dit oordeel en vond dat eiser onvoldoende bewijs had geleverd van persoonlijke vervolging, mede omdat hij zonder problemen een paspoort kon aanvragen en het land kon verlaten.
De rechtbank overwoog ook dat de door eiser aangevoerde documenten en verklaringen onvoldoende overtuigend waren en dat zijn situatie niet vergelijkbaar was met andere zaken waarin wel asiel werd toegekend. Ook het feit dat eiser 23 dagen wachtte met het indienen van zijn asielaanvraag werd meegewogen.
Uiteindelijk concludeerde de rechtbank dat eiser niet als vluchteling kan worden aangemerkt en geen reëel risico op ernstige schade loopt bij terugkeer naar Turkije. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard omdat niet aannemelijk is gemaakt dat eiser een reëel risico loopt op vervolging.