ECLI:NL:RBDHA:2018:8936
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beroep tegen intrekking verblijfsvergunning en verblijfsgat
Eiseres, met Turkmeense nationaliteit, kreeg een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als gezinslid bij haar echtgenoot, de referent. Na het feitelijk beëindigen van de huwelijksrelatie en het indienen van een echtscheidingsverzoek, trok de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid haar en haar zoon de verblijfsvergunning met terugwerkende kracht in per 2 mei 2016.
Eiseres betoogde dat hierdoor een verblijfsgat ontstond van 2 mei 2016 tot 19 oktober 2017, waarin zij geen aanspraak kon maken op voorzieningen en geen AOW-rechten opbouwde. Zij vorderde dat het document als bedoeld in artikel 9 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 met ingang van 2 mei 2016 zou worden verstrekt.
De rechtbank overwoog dat de Staatssecretaris niet bevoegd is om de ingangsdatum van het rechtmatig verblijf vast te stellen, omdat hiervoor geen wettelijke grondslag bestaat. Hierdoor kan het beroep eiseres niet in een gunstigere positie brengen. Het beroep werd daarom niet-ontvankelijk verklaard.
De uitspraak is gedaan door rechter E.S.G. Jongeneel op 13 juli 2018. Eiseres kan binnen vier weken hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang.