Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de voorzieningenrechter van 25 juli 2018 in de zaak tussen
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
VK
Rechtbank Den Haag
Verzoeker, een Turkse zelfstandige ondernemer, diende op 17 maart 2017 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning met als doel arbeid als zelfstandige. De aanvraag werd op 1 augustus 2017 afgewezen omdat verzoeker niet voldeed aan het mvv-vereiste en het ondernemingsplan onvoldoende onderbouwd was, met name door het ontbreken van een gedegen markt- en concurrentieanalyse en relevante intentieverklaringen.
Verzoeker maakte bezwaar en vroeg om een voorlopige voorziening die zijn uitzetting zou verbieden totdat op het bezwaar was beslist. De voorzieningenrechter behandelde het verzoek op 19 juli 2018, waarbij verzoeker verscheen maar verweerder niet. Verzoeker voerde aan dat het strikte toelatingsbeleid voor Turkse zelfstandigen in strijd is met het Turks Associatierecht, maar dit werd niet onderbouwd en door de rechter verworpen.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de beoordeling van verweerder zich beperkte tot de vraag of de aanvraag voldoende was onderbouwd en dat hiervoor geen specifieke deskundigheid vereist is. Het primaire besluit was voldoende gemotiveerd en het bezwaar had geen redelijke kans van slagen. Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en er is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning wordt afgewezen.