ECLI:NL:RBDHA:2018:9332
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag wegens ongeloofwaardig relaas over hekserij en vervolging
Eiser, een Guinese nationaliteit, verzocht om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Hij stelde dat hij vervolgd werd wegens hekserij, waarbij hij een gedetailleerd relaas gaf over beschuldigingen binnen zijn familie en dorp. De staatssecretaris wees de aanvraag af wegens gebrek aan geloofwaardigheid.
De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt waarom zijn oma en hijzelf van hekserij werden verdacht. Tegenstrijdigheden in zijn verklaringen, het ontbreken van represailles na het gooien van een steen, en ongerijmde verklaringen over militaire dienst en karatelessen ondermijnden zijn verhaal. Ook het feit dat hij vijf jaar zonder problemen bij een oom van moederszijde woonde, sprak tegen zijn beweringen.
De rechtbank concludeerde dat de aanvraag terecht werd afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Het beroep werd ongegrond verklaard. De rechtbank wees een proceskostenveroordeling af en informeerde over het recht op hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de afwijzing van de asielaanvraag.