ECLI:NL:RBDHA:2018:9603
Rechtbank Den Haag
- Wraking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing wrakingsverzoek tegen bestuursrechters wegens vermeende vooringenomenheid
Verzoeker diende een wrakingsverzoek in tegen twee bestuursrechters van de Rechtbank Den Haag, stellende dat het aanhoudingsverzoek onterecht was afgewezen en dat met zijn opgegeven verhinderdata geen rekening was gehouden.
De wrakingskamer overwoog dat de afwijzing van een verzoek om uitstel een processuele beslissing is die in principe geen grond voor wraking vormt, tenzij deze zo onbegrijpelijk is dat er een zwaarwegende aanwijzing voor vooringenomenheid bestaat. Dit was niet het geval. Tevens werd het verzoek om aanhouding van de wrakingszitting afgewezen omdat gewraakte rechters niet verplicht zijn te verschijnen en er geen ruimte is voor inhoudelijke discussie over de hoofdzaak.
Het voorwaardelijke wrakingsverzoek gekoppeld aan het aanhoudingsverzoek werd kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. De wrakingskamer concludeerde dat er geen schijn van vooringenomenheid bestond, mede omdat eerdere verzoeken om uitstel wel waren gehonoreerd en de afwijzing van het latere verzoek gegrond was.
Daarom werd het wrakingsverzoek afgewezen en werd bepaald dat de procedure in de hoofdzaken wordt voortgezet zoals die was ten tijde van het wrakingsverzoek. Tegen deze beslissing is geen rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de bestuursrechters is afgewezen en de procedure wordt voortgezet.