Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de de voorzieningenrechter van 12 juli 2018 in de zaak tussen
[verzoekster] ,
het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa),
Procesverloop
Overwegingen
Wettelijk kader
Rechtbank Den Haag
Verzoekster, van Ghanese nationaliteit, vroeg opvang aan bij het COa nadat haar aanvraag werd afgewezen omdat zij geen asielzoeker of gelijkgestelde vreemdeling is. Zij had uitstel van vertrek gekregen op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, maar dit betrof voorlopig uitstel zonder dat het onderzoek naar feitelijke toegankelijkheid van noodzakelijke zorg was afgerond.
De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoekster niet voldoet aan de criteria van artikel 3, derde lid, onder g en h van de Regeling verstrekkingen asielzoekers (Rva). Zij viel onder uitzondering sub f, waardoor geen recht op opvang bestaat. Ook was er geen sprake van een acute medische noodsituatie die opvang zou rechtvaardigen, zoals vereist volgens jurisprudentie en het BMA-advies.
De voorzieningenrechter besloot dat nader onderzoek niet bijdraagt aan de beoordeling en verklaarde het beroep ongegrond. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open voor de voorlopige voorziening.
Uitkomst: Het verzoek om opvang en voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens het ontbreken van recht op opvang en acute medische noodsituatie.