ECLI:NL:RBDHA:2019:10081
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing machtiging voorlopig verblijf nareis wegens onvoldoende aannemelijkheid identiteit en familierelatie
Eiseres, een Eritrese vrouw die in Duitsland internationale bescherming geniet, verzocht om een machtiging voorlopig verblijf (mvv) in Nederland op grond van nareis bij haar partner (referent) die een asielvergunning heeft. De staatssecretaris wees de aanvraag af omdat eiseres haar identiteit en de familierelatie met de referent niet aannemelijk had gemaakt met officiële documenten.
Eiseres overlegde onder meer een Duits verblijfsdocument, een kerkelijke huwelijksakte, een doopakte en identiteitsbewijzen van haar ouders. De staatssecretaris oordeelde dat deze documenten onvoldoende substantieel bewijs vormden, mede omdat het verblijfsdocument gebaseerd was op eigen verklaringen en de overige documenten niet overtuigend waren. Tevens was de huwelijksakte niet relevant voor de peildatum van de relatie.
Daarnaast waren er tegenstrijdigheden in verklaringen over het moment van kennismaking en samenwonen van eiseres en referent. Dit leidde tot een contra-indicatie waardoor geen nader onderzoek hoefde plaats te vinden. Ook was het horen in bezwaar terecht achterwege gebleven omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was.
De rechtbank bevestigde dat de staatssecretaris het beleid correct had toegepast en dat het beroep ongegrond was. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de mvv-aanvraag nareis is ongegrond verklaard wegens onvoldoende bewijs van identiteit en familierelatie.